Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
14/3232 WWB e.v.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Woonadres niet duidelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3232 WWB, 14/3233 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 april 2014, 13/6696 en 13/6697 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.T. Panneflek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Panneflek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 29 december 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft bij haar aanvraag opgegeven met haar jongste kind, geboren [in] 2011, inwonend te zijn op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Haar twee andere kinderen wonen bij [G.] (G), die woonachtig is op het [adres 2] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante zou samenwonen met G en hun drie kinderen op [adres 2], heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben medewerkers van de DWI onder meer dossieronderzoek gedaan, appellante gehoord en een bezoek bij het uitkeringsadres en aan [adres 2] afgelegd. Daarnaast is in de omgeving van het uitkeringsadres een buurtonderzoek verricht waarbij getuigen zijn gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 juni 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

17 juni 2013 de bijstand met ingang van 29 december 2011 in te trekken en bij besluit van

28 juni 2013 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 29 december 2011 tot en met 30 april 2013 tot een bedrag van € 7.697,72 van appellante terug te vorderen.

1.4.

Bij besluiten van 9 oktober 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 juni 2013 en 28 juni 2013 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overwegingen dat appellante in strijd met haar inlichtingenverplichting het college niet heeft gemeld dat zij niet heeft gewoond op het door haar opgegeven uitkeringsadres, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat de getuigenverklaringen voldoende specifiek zijn en berusten op concrete, feitelijke waarnemingen op grond waarvan aannemelijk kan worden gemaakt dat zij haar hoofdverblijf niet heeft op het uitkeringsadres. De aangehaalde verklaringen zijn op relevante punten juist niet eenduidig. Appellante heeft aangevoerd dat het college de positieve bevindingen die haar standpunt bevestigen niet heeft meegewogen. Zo heeft haar dochter tijdens het huisbezoek op [adres 2] verklaard dat haar moeder [op het uitkeringsadres] woont. Door haar dienstverband in Volendam in de periode van 29 maart 2012 tot en met

28 december 2012 kwam zij vaak laat thuis en bracht zij haar kind bij de oppas.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de in het kader van de intrekking te beoordelen periode loopt van 29 december 2011 tot en met 13 mei 2013, omdat appellante vanaf 14 mei 2013 niet langer woonachtig was op het uitkeringsadres.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

De verklaringen van de getuigen [IJ.] (IJ), [L.] (L), J.H. Spek en

[B.] (B), naaste buren van het uitkeringsadres, bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in de in geding zijnde periode niet op het uitkeringsadres woonde. De verklaringen van deze buren, welke zijn afgenomen in de periode van 25 april 2013 tot en met 16 mei 2013, komen voort uit eigen waarneming en bevatten voldoende concrete beschrijvingen. De verklaringen van de buren zijn ook in lijn met elkaar. Het gaat om buren die daar allen langdurig woonachtig waren en drie van de getuigen hebben verklaard hun directe buren goed van gezicht te kennen. Door een medewerker van de DWI is een foto van appellante getoond. Drie getuigen hebben appellante niet herkend en verklaard haar nog nooit gezien te hebben. Getuige IJ heeft appellante, als het om haar ging, een jaar of twee geleden voor het laatst gezien. De getuigen IJ en B hebben beiden verklaard dat de woningen gehorig zijn en dat zij geen kind gehoord hebben. Getuige L, die zomers veel in de voortuin zit, heeft de afgelopen twee jaar geen baby of peuter gezien of gehoord, ook niet in de voor- of achtertuin. Alle getuigen hebben eenduidig verklaard dat er wel andere mensen op het uitkeringsadres verbleven. Dat appellante een dienstverband had in Volendam waardoor zij vroeg wegging en laat thuiskwam en haar kind in die periode bij een oppas was, biedt onvoldoende verklaring voor het feit dat de buren appellante in de hier te beoordelen periode van 29 december 2011 tot en met 13 mei 2013 nooit hebben gezien en haar kind ook nooit hebben gehoord. Het betrof hier immers een parttime dienstverband van 24 uur per week dat maar een deel van de periode besloeg, namelijk van 29 maart 2012 tot en met 28 december 2012. Bovendien is appellante toen kennelijk ook nooit in haar vrije uren, weekenden en vakanties in of bij de woning gesignaleerd. Het college heeft voorts aan de getuigenverklaringen meer betekenis kunnen hechten dan aan wat appellante nog heeft aangevoerd aan positieve bevindingen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellante geen juiste informatie heeft gegeven over haar woonadres. Daarmee heeft zij niet voldaan aan haar inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd om de bijstand in te trekken. Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) P.C. de Wit

HD