Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
14/7073 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag omdat appellant geen verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7073 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 november 2014, 14/4927 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Madern. Als tolk is verschenen A. Calbaijir. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, die de Turkse nationaliteit bezit, heeft een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant als reden voor zijn aanvraag onder meer vermeld dat hij geen inkomsten heeft en dat hij met zijn echtgenote en twee kinderen woont.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat zijn situatie en die van zijn gezin gelijk te stellen is met die van een vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB. Voorts is aangevoerd dat het beleid onevenredig is jegens hem en zijn gezin. Appellant heeft zich ten slotte beroepen op artikel 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4.2.

Ingevolge artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB kan met een Nederlander worden gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die verblijf houdt op grond van

artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw, alsmede de vreemdeling die verblijf houdt op grond van artikel 8, onder g en h, van de Vw, mits de vreemdeling eerder rechtmatig verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw. Van dit laatste is geen sprake, zodat het rechtmatig verblijf van appellant op grond van artikel 8, onder h, van de Vw geen aanspraak op bijstand geeft. Appellant kan dan ook niet ingevolge artikel 11, derde lid en onder b, van de WWB met een Nederlander, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, gelijkgesteld worden. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen bijstand worden toegekend. Het college heeft dan ook op goede gronden vastgesteld dat appellant met zijn gezin geen recht heeft op bijstand.

4.3.

Het college heeft ter zitting toegelicht dat ten tijde van de aanvraag de beide kinderen van appellant een uitkering ontvingen van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Dit blijkt ook uit de ingediende aanvraag. Gelet op deze voorziening heeft het college terecht geen aanleiding gezien om op basis van beleid ten behoeve van de kinderen afzonderlijk bijstand te verlenen.

4.4.

Ten aanzien van het beroep op artikel 27 van het IVRK volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar zijn inhoud eenieder kan verbinden als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) P.C. de Wit

HD