Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
13/6171 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2689
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit na een eerdere afwijzing. Splitsing aanbrengen in de toetsing, periode voor en na aanvraag. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank heeft het besluit van 21 november 1991 op juiste wijze getoetst en dit besluit terecht in stand gelaten. Verwijzing naar vaste rechtspraak. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om tot een andere beoordeling van deze stellingen te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6171 AOW

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2013, 13/4505 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Jankie, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren [in] 1926 in Suriname. Zij heeft tot 9 januari 1980 in Suriname gewoond. Bij besluit van 21 november 1991 is appellante een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend van 46% van het maximale pensioen. Appellante heeft bij brief van 4 februari 2006 de Svb verzocht terug te komen van het besluit van 21 november 1991 en vast te stellen dat zij recht heeft op een volledig pensioen. Dit verzoek is bij besluit van 8 maart 2006 afgewezen.

1.2.

Bij brief van 21 november 2012 heeft appellante opnieuw verzocht terug te komen van het besluit van 21 november 1991 en vast te stellen dat zij recht heeft op een volledig pensioen. Bij besluit van 30 november 2012 is dit verzoek afgewezen.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 24 mei 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 24 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van appellante niet kan leiden tot herziening van het kortingsbesluit, ook niet ten aanzien van aanspraken vanaf de datum van het verzoek. Overwogen is dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. De financiële problemen of het beroep op internationaal recht kwalificeren niet als zodanig. Voorts kan volgens de rechtbank niet worden gezegd dat de Svb bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging het verzoek niet heeft mogen afwijzen. Zo er bij Nederlanders die in Nederland en die in Suriname woonachtig zijn al sprake zou zijn van gelijke gevallen, acht de rechtbank de ongelijke behandeling gerechtvaardigd, waarbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 17 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD882. Het korten van het pensioen voor tijdvakken waarin iemand in Suriname woonachtig was, levert naar het oordeel van de rechtbank geen schending van het discriminatieverbod op. Er is geen ongelijkheid in de behandeling van Nederlanders die buiten Nederland wonen. Niet de nationaliteit maar het ingezetenschap is van belang. Voorts is overwogen dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 2, eerste en tweede lid, van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (Universele Verklaring), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 1.1 of artikel 5 van het Internationaal Verdrag tot uitbanning rassendiscriminatie (IVUR) of artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR). Het beroep op de overige bepalingen van het EVRM, de UVRM, het IVBPR en het IVESCR heeft de rechtbank verworpen, omdat appellante niet genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze aan de korting in de weg zouden staan. Het beroep op het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut) en de Grondwet kan niet slagen, nu de rechtbank niet bevoegd is de bepalingen van de AOW aan deze regelingen te toetsen.

3. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Gesteld is dat appellante moet rondkomen van het

AOW-pensioen en dit pensioen haar niet in staat stelt de essentiële benodigdheden te betalen. De aanvullende bijstandsuitkering is in 2006 weggevallen. Door de korting op het

AOW-pensioen heeft appellante steeds meer schulden, terwijl zij 87 jaar oud is. Zij wijst erop dat de hoger beroepen van appellante tegen besluiten op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Wet Werk en Bijstand (WWB) door de Raad niet zijn gehonoreerd. Het betreft twee uitspraken van 16 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5098 en ECLI:NL:CRVB:2011:BU5109. Appellante meent dat het recht op een menswaardig bestaan is geschonden. In de visie van appellante is er sprake van discriminatie, omdat bij de onafhankelijkheid van Suriname geen regeling is getroffen voor de verzekering voor de AOW van Nederlanders die in Suriname woonden. De reparatiewetgeving betreft ten onrechte alleen personen die voor 1957 al 15 jaar oud waren en niet de jaren na 1957. Voorts is er in de visie van appellante sprake van een verboden onderscheid naar geboorteplaats. Betoogd is dat onder “het Rijk” in de zin van artikel 6 van de AOW met betrekking tot periodes tot 1990 mede Suriname moet worden begrepen. Ten slotte is het beroep op het Statuut en de Grondwet en op eerdergenoemde verdragen in essentie herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

4.2.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen. De beweerdelijke omstandigheid dat appellante steeds meer schulden maakt doordat haar inkomsten ontoereikend zijn - nog daargelaten dat de bewering niet is onderbouwd - is een omstandigheid waarvan zonder meer duidelijk is dat deze geen rol kan spelen bij de vaststelling van de korting op het pensioen. Voor inhoudelijke toetsing van het besluit van 21 november 1991, voor zover dit de periode voorafgaand aan het verzoek betreft, is geen plaats. In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn geen zeer bijzondere omstandigheden gelegen die dit in het onderhavige geval anders maken.

4.3.

Wat betreft het tijdvak na de nieuwe aanvraag kon de Svb bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing komen. De rechtbank heeft het besluit van 21 november 1991 op juiste wijze getoetst en dit besluit terecht in stand gelaten. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van 2 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7609, waarin de Raad het volgende heeft overwogen.

“4.3. Het beroep van appellant op het Statuut en de Grondwet slaagt niet nu de Raad niet bevoegd is de bepalingen van de AOW aan deze regelingen te toetsen. Hierbij verwijst de Raad naar artikel 120 van de Grondwet en het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, LJN AD5725 (Harmonisatiewet).

4.4.

Het beroep van appellant op een verbod van discriminatie naar woonplaats slaagt evenmin. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 17 juli 2008, LJN BD8827. De stelling van appellant dat er sprake is van discriminatie naar ras slaagt evenmin. Voor zover er in een geval als het onderhavige al sprake zou zijn van een indirect onderscheid naar ras is voor dit onderscheid een toereikende rechtvaardiging gelegen in de doelstellingen van het stellen van een ingezetenschapseis in de AOW, een regeling waaraan elk oogmerk van discriminatie ontbreekt. De Raad verwijst in dit kader naar de onderscheiden oordelen van de Commissie Gelijke Behandeling, laatstelijk Oordeelnummer 2012/129 van 27 juli 2012.

4.5.

Het beroep van appellant op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie slaagt niet, nu er geen sprake is van een situatie waarin het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht (artikel 51 Handvest).

4.6.

De Raad verwerpt het beroep dat appellant voor het overige heeft gedaan op bepalingen van internationaal recht. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat dit beroep niet is onderbouwd en voorts dat veel van de bepalingen, waarop een beroep is gedaan, niet een ieder verbindend zijn als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Dit laatste geldt ook voor het beroep dat appellant heeft gedaan op de UVRM.

4.7.

Het betoog van appellant dat onder het begrip Rijk, zoals dat in de AOW was opgenomen tot 1990, mede moet worden begrepen Suriname voordat dit land onafhankelijk werd, wordt verworpen. De Raad verwijst hiervoor naar zijn vaste rechtspraak, waarin telkenmale is overwogen dat onder het begrip Rijk moet worden verstaan het Rijk in Europa. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juli 2005, LJN AT9765. De door appellant aangedragen argumenten kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen.

4.8.

In hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om tot een ander oordeel te komen. De Raad merkt hierbij nog op dat de uitsluiting van de verzekering van appellant rechtstreeks rust op artikel 6, eerste lid, onder a, van de AOW. Een (ongeschreven) hardheidsclausule vermag deze bepaling niet opzij te zetten.”

4.4.

De stellingen die namens appellante zijn ingebracht tegen de korting op haar pensioen, zijn gelijkluidend aan of van dezelfde strekking als de stellingen die in de aangehaalde uitspraak van 2 maart 2012 zijn ingebracht tegen de korting op de partnertoeslag.

4.5.

De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanleiding tot een andere beoordeling van deze stellingen te komen. De daarbij aangehaalde verdrags- en internationaalrechtelijke bepalingen leiden niet tot een andere conclusie. De Raad wijst erop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:862, het beroep in cassatie tegen de aangehaalde uitspraak van 2 maart 2012 ongegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van de Hoge Raad kunnen de aangevoerde middelen niet tot cassatie leiden en behoeft dit geen motivering, omdat de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Daarbij heeft de Hoge Raad verwezen naar zijn arrest van 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9203, in welk arrest is ingegaan op het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen het oordeel in een eerdere uitspraak van de Raad dat de echtgenote van de belanghebbende als niet-ingezetene niet verzekerd is geweest op grond van de AOW. De Hoge Raad besliste in dat arrest dat de klachten falen voor zover zij inhouden dat sprake is van discriminatie doordat de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen in beginsel beperkt is tot ingezetenen. De Hoge Raad oordeelde dat voor deze beperking een toereikende objectieve rechtvaardiging bestaat.

4.6.

Er is geen aanleiding het beroep te honoreren dat namens appellante is gedaan op de zogeheten contralegemrechtspraak van de Raad. De Svb heeft in dit verband betoogd dat aan een bewoner van een verpleeghuis, van wie het inkomen boven de bijstandsnorm voor een verpleeghuisbewoner ligt, geen bijstand wordt toegekend. De situatie van deze verpleeghuisbewoner staat los van de vraag of een korting op het AOW-pensioen dient plaats te vinden. Een beroep op de contralegemrechtspraak van de Raad zou in de visie van de

Svb - waarbij de Raad zich aansluit - meer voor de hand liggen in het kader van de toepassing van de (ten tijde hier van belang geldende) WWB of de AWBZ.

4.7.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) I. Mehagnoul

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

UM