Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
14/5066 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de beperkingen in de FML de belastbaarheid van appellant juist weergeven. Ter toetsing ligt bij de rechtbank voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit 1, waarbij is vastgesteld dat voor appellant recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA met ingang van 19 augustus 2013. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid voor de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5066 WIA, 15/7613 WIA

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

8 augustus 2014, 14/2213 en 14/2880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam in de functie van verzekeringsadviseur. Nadien ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Hij heeft zich op 22 augustus 2011 ziek gemeld wegens een myocardinfarct en een bypassoperatie. Bij besluit van

30 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 19 augustus 2013 recht is ontstaan op een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van

55 tot 65%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 7 februari 2014 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 3 oktober 2013 heeft het Uwv de over de periode van 19 augustus 2013 tot en met 30 september 2013 teveel betaalde WIA-uitkering ten bedrage van € 3.115,59 van appellant teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van

7 februari 2014 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten. De besluitvorming door het Uwv en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek is onzorgvuldig verricht. Appellants psychische en lichamelijke gezondheid is snel verslechterd. De rechtbank is ten onrechte niet uitgegaan van de actuele gezondheidssituatie van appellant. Ten onrechte heeft de rechtbank de geselecteerde voorbeeldfuncties geschikt geacht. Het kan de rechtbank niet zijn ontgaan dat hij in een rolstoel zit en er staande functies geduid zijn. Het Uwv heeft met betrekking tot bestreden besluit 2 onvoldoende onderzocht of er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1

4.1.

Gelet op de aangevoerde gronden is appellant alleen in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand blijven.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft verricht. Alle door appellant naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant niet hebben beoordeeld. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft dossierstudie verricht, informatie bij de cardioloog opgevraagd en appellant onderzocht op het spreekuur. Vervolgens heeft de verzekeringsarts een psychiatrische expertise door psychiater J.T. Hondema laten verrichten. Hierna heeft de verzekeringsarts aanvullend gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossieronderzoek verricht, de hoorzitting bijgewoond en een onderzoek bij appellant verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de in bezwaar ontvangen informatie van de behandelend sector betrokken in zijn beoordeling. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd is geen aanleiding gelegen om anders dan de rechtbank te oordelen over de zorgvuldigheid waarmee het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is uitgevoerd. Gelet hierop slaagt appellants grond dat onzorgvuldig onderzoek is verricht niet.

4.3.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de beperkingen neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de belastbaarheid van appellant juist weergeven. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport vermeld dat uit de informatie van de cardioloog blijkt dat appellant een goede restfunctie heeft van het hart. Uit de psychiatrische expertise komt naar voren dat appellant lijdt aan een angststoornis. In dat verband onderschat appellant zijn eigen mogelijkheden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant beperkingen heeft voortvloeiend uit een oud myocardinfarct en een angststoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk onderbouwd toegelicht waarom er geen aanleiding is meer beperkingen aan te nemen dan door de verzekeringsarts zijn vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant niet op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. Appellant heeft gezien de toepasselijke criteria benutbare mogelijkheden. Opname in een ziekenhuis of instelling, ADL-afhankelijkheid, bedlegerigheid of een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren zijn niet aan de orde. Gelet op de standaard verminderde arbeidsduur is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorts geen indicatie om op energetische, beschikbaarheids- of preventieve gronden een urenbeperking noodzakelijk te achten. Deze arts heeft geen beperkingen opgenomen voortvloeiend uit de elleboogklachten van appellant, omdat deze klachten niet structureel zijn, gezien ook het ontbreken van enige interventie door een specialist. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeldt verder dat uit de medische informatie niet blijkt dat appellants gezichtsvermogen verminderd is wegens door hem gestelde latente aanwezigheid van diabetes. Er is geen manifeste suikerziekte bij appellant vastgesteld. De huisarts heeft aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegedeeld dat de zeer kortdurende opname van appellant in september 2013 het gevolg was van appellants hoge bloeddruk. Cardiaal is er weer een stabiele situatie. Deze informatie geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding zijn opvatting te wijzigen over appellants

belastbaarheid. De hoger beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van de actuele medische situatie en daardoor zijn belastbaarheid is onderschat slaagt niet. Ter toetsing ligt bij de rechtbank voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Bestreden besluit 1 heeft betrekking op het besluit van 30 september 2013 waarin is vastgesteld dat voor appellant recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA met ingang van

19 augustus 2013. In deze procedure is uitsluitend de vraag aan de orde of het Uwv de beperkingen juist heeft vastgesteld die voor appellant op 19 augustus 2013 gelden. Daarom kan aan de stelling van appellant dat die beperkingen onjuist zijn vastgesteld, reeds omdat hij ten tijde van de zitting bij de rechtbank zich van een rolstoel moest bedienen, niet die betekenis worden gehecht die hij daaraan toegekend wenst te zien. Appellant kan met betrekking tot die stelling een melding verslechtering gezondheid doen bij het Uwv. Net als in beroep heeft appellant ook in hoger beroep geen medische stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn stellingen. Gelet op hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd en de in het dossier aanwezige medische informatie, is er geen aanleiding te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid voor de datum in geding.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant in de FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. De signaleringen van eventuele overschrijding van de belastbaarheid zijn naar behoren gemotiveerd. De hoger beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte staande functies geschikt heeft geacht slaagt niet, omdat de belasting in deze functies in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding.

Bestreden besluit 2

5. De rechtbank heeft terecht het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De overwegingen die het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Appellant heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zich dringende redenen voordoen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

6. Gezien op hetgeen is overwogen onder 4 en 5 slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

11 december 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) N. van Rooijen

AP