Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4692

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
12/5291 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering. Uit het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige volgt dat zowel ten aanzien van beoordelingspunt 2.2 (horen) als ten aanzien van beoordelingspunt 3.7 (geluidsbelasting) verdergaande beperkingen aan de orde zijn dan door het Uwv aangenomen in de aangepast FML. Het Uwv heeft de medische beperkingen van appellante onderschat met het gevolg dat de arbeidsmogelijkheden van appellante op een onjuiste medische grondslag zijn gebaseerd. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5291 WIA-T

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 augustus 2012, 10/4140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Koning.

Na de zitting is het onderzoek heropend en is prof. dr. K. Graamans, keel-, neus- en oorarts (KNO-arts), als deskundige benoemd. Deze heeft op 2 februari 2014 rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden.

Het Uwv heeft enkele vragen beantwoord.

Appellante heeft een nadere reactie ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als [naam functie] bij de beroepsvereniging [naam beroepsvereniging] voor 24 uur per week. Vanuit dit werk is zij op 27 mei 2004 uitgevallen. Haar dienstverband is per 1 mei 2005 geëindigd.

1.2.

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 20 juni 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 13 februari 2008 heeft het Uwv het besluit van 16 augustus 2007 ingetrokken, het bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat voor appellante met ingang van 20 juni 2006 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Over het dagloon en de duur van deze uitkering is in het besluit van 13 februari 2008 niets opgenomen.

1.3.

Bij (aanvullend) besluit van 30 juli 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante van

20 juni 2006 tot 20 juni 2009 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een geïndexeerd dagloon van € 92,61. Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 juli 2008 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij haar uitspraak van 28 mei 2010 (AWB 09/1304 WIA) heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 februari 2009 ongegrond verklaard. Appellante heeft haar hoger beroep tegen deze uitspraak ingetrokken.

1.5.

Bij haar uitspraak van 3 juni 2010 (AWB 07/2570 WIA) heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep gericht tegen de besluiten van 13 februari 2008 en 17 februari 2009 gegrond verklaard, de besluiten van 13 februari 2008 en 17 februari 2009 vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank verwezen naar de bevindingen van de door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundigen KNO-arts R.J.J. Versluis en psychiater dr. G. Nabarro. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de bevindingen van Versluis en Nabarro geoordeeld dat de besluiten van

13 februari 2008 en 17 februari 2009 zijn gebaseerd op een ondeugdelijke medische grondslag. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

1.6.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2010 heeft het Uwv bij besluit van 22 juli 2010 (bestreden besluit) opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 maart 2007. Opnieuw is vastgesteld dat voor appellante met ingang van 20 juni 2006 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Gezien het oordeel van de rechtbank neergelegd in de uitspraak van 28 mei 2010 en het feit dat het Uwv zich onveranderd op het standpunt stelt dat de hoogte en duur van de WGA-uitkering niet anders konden worden vastgesteld dan in de beslissing op bezwaar van 17 februari 2009 was gedaan, heeft het Uwv laatstgenoemde beslissing gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 juni 2010 met bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 juli 2010 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en haar verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe alle medische en arbeidskundige gronden van appellante besproken en geoordeeld dat deze geen van alle konden slagen.

3.1.

Appellante heeft in haar hoger beroepschrift en in de aanvulling daarop van 12 juli 2013 betoogd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom een IVA-uitkering moet krijgen. Zij heeft daartoe gewezen op het feit dat zij zowel tinnitus als hyperacusis heeft en dat bij haar, anders dan door het Uwv betoogd, het gebruik van gehoorbescherming gecontra-indiceerd is. Voorts heeft zij een depressieve stoornis. Hiermee is in haar visie door het Uwv onvoldoende rekening gehouden.

3.2.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

4.1.

Met name gelet op de discussie tussen partijen over de mogelijkheid gehoorbeschermende maatregelen te nemen is besloten KNO-arts prof. dr. Graamans als deskundige te benoemen. Aan hem zijn, naast een specifieke vraag hierover, ook enkele meer algemene vragen voorgelegd.

4.2.

Uit het rapport van prof. dr. Graamans van 2 februari 2014 komt het volgende naar voren.

Bij appellante is sprake van een hoge tonen perceptieverlies aan het linkeroor en tinnitus aan beide oren, rechts duidelijker uitgesproken dan links. De tinnitus gaat vergezeld van hyperacusis. De situatie van appellante is stabiel. Er zijn geen argumenten om aan te nemen dat haar huidige situatie afwijkt van haar situatie op 20 juni 2006. Zoals eerder ook al gezegd door onder andere KNO-arts J. van der Borden heeft het gebruik van gehoorbescherming tijdens het werk voor appellante geen zin. Het andersluidende standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover wordt uitdrukkelijk en gemotiveerd van de hand gewezen. De FML van 28 juni 2010 is niet juist. Deze FML berust op de onjuiste aanname dat het functioneren van appellante beter zou zijn met gehoorbeschermende maatregelen. In de FML van 28 juni 2010 heeft de verzekeringsarts bij beoordelingspunt 2.2 (horen) als toelichting vermeld: “Licht gehoorverlies links, oorsuizen rechts, waardoor gevoelig voor (harde) omgevingsgeluiden. Gehoorverlies is in 1-op-1 situatie geen probleem, wel in lawaaiige omgeving.” Dit is niet juist, want appellante is niet alleen gevoelig voor harde geluiden. Zij is gevoelig voor een variëteit aan omgevingsgeluiden, variërend in frequentie en intensiteit. Het is niet zo dat de drempel van onaangename luidheid (loudness discomfort level) bij betrokkene verlaagd is; het betreft een stoornis van het gehoor die aanzienlijk complexer is. In de toelichting bij beoordelingspunt 3.7 (geluidsbelasting) heeft de verzekeringsarts het volgende vermeld: “Geluidsbelasting is beperkt, namelijk geen harde geluiden, niet in een onrustige en/of lawaaiige werkomgeving zoals kantoortuin.” Ook dit is een uitwerking van een gesimplificeerde opvatting van het bij appellante aanwezige ziektebeeld. Andere oplossingen dan gehoorbescherming zijn denkbaar, namelijk het creëren van een geluidloze of extreem geluidsarme werkomgeving. Het onttrekt zich aan zijn waarnemings- en beoordelingsvermogen of het haalbaar is dit te realiseren. Meer in het algemeen geldt dat de belastbaarheid van appellante in neerwaartse richting moet worden bijgesteld, maar dat die bijstelling niet zozeer gepositioneerd kan worden op een bepaald terrein. Immers, de tinnitus en de hyperacusis leiden tot een algeheel verminderd welbevinden dat een negatieve invloed heeft op de energie en het prestatieniveau van appellante. In welke mate de bijstelling dient plaats te vinden gaat de competentie van de deskundige te buiten; de vertaling naar de FML is veeleer het terrein van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige.

4.3.

Naar aanleiding van het rapport van prof. dr. Graamans heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 19 maart 2014 gerapporteerd en op dezelfde dag de FML aangepast. In haar rapport stelt zij het niet helemaal eens te zijn met de deskundige over het gebruik van gehoorbescherming. Naar haar mening kan een koptelefoon wel helpen. Omdat de toelichting bij beoordelingspunt 3.7 volgens de deskundige niet juist is heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze aangepast, in die zin dat er nu staat: “Beperkt, namelijk niet boven wettelijk toegestane”. Ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met energetische beperkingen een urenbeperking opgenomen tot 4 uur per dag, 20 uur per week (was: 30 uur) en regelmatige werktijden.

4.4.

Op basis van de bijgestelde FML van 19 maart 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 26 maart 2014 enkele functies laten vallen en hiervoor in de plaats andere geselecteerd. Uitgaande van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 juli 2006 gesteld op 60,05% (was: 51,31%).

4.5.

Bij brief van 1 april 2014 heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 maart 2014 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 maart 2014, het bestreden besluit gehandhaafd.

4.6.

Appellante heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in het rapport van

prof. dr. Graamans. Zij kan zich echter niet vinden in de wijze waarop dit rapport is vertaald naar de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar haar mening de beperking op geluidsbelasting ten onrechte feitelijk laten vervallen. Appellante suggereert de toelichting bij beoordelingspunt 3.7 gelet op de opmerkingen van prof. dr. Graamans op dit punt, te formuleren als “Geluidloze of extreem geluidarme werkomgeving”. In het verlengde hiervan stelt appellante dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn in verband met het werken in een kantoortuin, met machines die geluid produceren of in een ruimte waarin ook werkzaamheden plaatsvinden die een geluidsbelasting opleveren. Ten slotte acht zij zich gelet haar tinnitus en hyperacusis, in combinatie met de ook aanwezige cardiale problematiek, niet in staat 20 uur per week te werken.

4.7.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 januari 2015 overgelegd. In dit rapport stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een geluidsvrije omgeving onmogelijk is, dat appellante niet volledig afgezonderd van elk geluid leeft en dat niet gebleken is dat dit tot schade van haar gezondheid leidt. Daarom heeft zij beoordelingspunt 3.7 beperkt tot meer dan de normale dagelijks voorkomende en algemeen gebruikelijke geluiden. Voorts stelt zij dat appellante wel degelijk gebruik kan maken van gehoorbescherming als een koptelefoon of oordopjes. Zij verwijst hierbij naar haar eigen ervaring. De keuze voor een urenbeperking tot 20 uur per week en 4 uur per dag motiveert zij door te stellen dat gehele bedlegerigheid niet aan de orde is en dat appellante zo een dagdeel extra recuperatie in acht kan nemen of zelfs een dagdeel bedrust kan nemen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Vastgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante een combinatie van tinnitus en hyperacusis heeft en dat daarnaast sprake is van psychische beperkingen en een al langer bestaande cardiale problematiek in de vorm van een mitralisklepprolaps met lichte mitralisinsufficiëntie. Tussen partijen is ook niet in geschil dat hieruit beperkingen voortvloeien. Wel in geschil is wat de precieze aard en omvang van deze beperkingen zijn.

5.2.

Voor de bepaling van de aard en de omvang van de bij appellante aanwezige beperkingen is vooral het in 4.2 samengevatte rapport van prof. dr. Graamans van belang.

5.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft appellante zelf onderzocht en kennis genomen van de relevante stukken uit het dossier. Over zijn bevindingen heeft hij op uitvoerige, consistente en inzichtelijke wijze gerapporteerd, waarbij hij wat hij bij appellante heeft geconstateerd heeft toegelicht aan de hand van wat meer in het algemeen uit onderzoek en wetenschappelijke literatuur bekend is over tinnitus en hyperacusis. De bevindingen van de deskundige zijn in lijn met de bevindingen van behandelend specialist Van der Borden en de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Versluis.

5.4.

Appellante heeft terecht kanttekeningen geplaatst bij de wijze waarop het Uwv het rapport van prof. dr. Graamans heeft vertaald naar de FML. Het ligt op de weg van het Uwv alsnog een correcte vertaalslag te laten maken door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en op basis daarvan opnieuw te bezien wat de arbeidsmogelijkheden van appellante zijn en wat dit betekent voor haar mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding. Gelet op de wijze waarop de eerdere vertaalslag heeft plaatsgevonden en ter voorkoming van verdere vertraging zal daarbij wel zoveel mogelijk richting worden gegeven door in de overwegingen 5.5 en 5.6 een aantal uitgangspunten te formuleren.

5.5.

Uit het rapport van prof. dr. Graamans volgt dat zowel ten aanzien van beoordelingspunt 2.2 (horen) als ten aanzien van beoordelingspunt 3.7 (geluidsbelasting) verdergaande beperkingen aan de orde zijn dan door het Uwv aangenomen, wat neerkomt op het volgende.

Beoordelingspunt 2.2 moet worden gescoord als beperkt, met als toelichting: “Hoge tonen perceptieverlies aan linkeroor, tinnitus vergezeld van hyperacusis in de vorm van overgevoeligheid voor geluiden van zeer gevarieerde frequentie en intensiteit aan beide oren”. Ook beoordelingspunt 3.7 moet worden gescoord als beperkt, met als toelichting: “Dragen van gehoorbeschermingsmiddelen is niet mogelijk, aangewezen op geluidloze of extreem geluidsarme omgeving”.

Voorts moet worden onderzocht of en, zo ja, in hoeverre de hiervoor omschreven beperkingen gevolgen hebben voor andere beoordelingspunten van de FML die een relatie kunnen hebben met beoordelingspunten 2.2 en 3.7.

5.6.

Op basis van het rapport van prof. dr. Graamans, in combinatie met wat overigens uit het dossier bekend is, moet voorts gemotiveerd worden stilgestaan bij de voor appellante haalbare arbeidsduur. Daarbij moet uitdrukkelijk worden gekeken naar de energetische beperkingen zoals die voorvloeien uit de combinatie van tinnitus, hyperacusis, psychische klachten en cardiale problematiek. Aandacht moet daarbij uitdrukkelijk ook worden besteed aan de wijze waarop de verschillende klachten van appellante mogelijk op elkaar inwerken.

6. Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.6 volgt dat het Uwv de medische beperkingen van appellante heeft onderschat met het gevolg dat de arbeidsmogelijkheden van appellante op een onjuiste medische grondslag zijn gebaseerd. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv, met inachtneming van de uitgangspunten neergelegd in de overwegingen 5.5 en 5.6. Met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet wordt het Uwv opgedragen het geconstateerde gebrek te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en

J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) P. Boer

IJ