Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
13/5208 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant gestelde fiscale (loon)schade niet als een gevolg van het vernietigde plaatsingsbesluit kan worden aangemerkt en daarom de minister niet kan worden toegerekend. Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat appellant in aanmerking komt voor een hogere vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan de o.g.v. het Bpb toegekende forfaitaire vergoeding. In bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken, vaste rechtspraak. Hier doet zich een uitzonderlijk geval voor. De redelijkerwijs te maken kosten voor rechtsbijstand, gemoeid met het opkomen tegen het bestreden besluit tot aan het oordeel van de rechtbank van 31 maart 2010, bedragen € 11.314,- onder aftrek van de reeds toegekende vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/94
ABkort 2016/12
TAR 2016/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5208 AW

Datum uitspraak: 10 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

19 augustus 2013, 08/4272 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Duren. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.M. Koene en R.M.H. van Olffen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds januari 1997 werkzaam als afdelingshoofd bij de penitentiaire inrichtingen [locatie A] . Bij besluit van 10 mei 2001 is appellant met ingang van

1 juli 2001 eervol ontslag verleend uit zijn functie van afdelingshoofd. Bij uitspraak van de Raad van 3 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP1760) is dit ontslagbesluit vernietigd.

1.2.

Bij besluit van 2 mei 2005 is appellant met ingang van 1 mei 2005 tijdelijk tewerkgesteld als senior penitentiair inrichtingswerker (senior piw’er). Appellant is tegen deze tijdelijke tewerkstelling opgekomen en meende dat hij diende te worden herplaatst in de functie van afdelingshoofd en, evenals zijn collega afdelingshoofden, bezoldigd diende te worden naar salarisschaal 9. Bij uitspraak van de Raad van 8 mei 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD2846) is de tijdelijke tewerkstelling van appellant als senior piw’er in stand gelaten. De Raad heeft de opvatting van de minister dat, nu appellant in totaal ruim vijfeneenhalf jaar uit het arbeidsproces was geweest en de ontwikkelingen in de penitentiaire inrichting [locatie B] niet had meegemaakt, een onmiddellijke hervatting van het werk als afdelingshoofd ongewenst was, niet voor onjuist gehouden. De Raad heeft voorts overwogen dat de opvatting van de minister dat de gebeurtenissen in 1999, die destijds aanleiding vormden voor het ontslagbesluit, een beletsel vormen voor een herplaatsing van appellant in een leidinggevende functie getuigt van onvoldoende begrip voor de betekenis van de uitspraak van de Raad van

3 juni 2004, aangezien appellant als gevolg van deze uitspraak geschikt voor zijn leidinggevende functie moet worden geacht. De Raad heeft verder geoordeeld dat appellant vanaf september 1999 schaal 9 dient te worden toegekend en daarom recht heeft op een nabetaling van het verschil tussen de bezoldiging naar schaal 8 en schaal 9 over het tijdvak van 1 september 1999 tot de dag van het inmiddels in februari 2008 verleende functionele leeftijdsontslag (flo). De schade ten gevolge van de te late betaling van de bezoldiging komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade bestaat uit wettelijke rente over de bruto nabetalingen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betalingen hadden moeten plaatsvinden tot aan de dag van de algehele voldoening toe. De minister is veroordeeld in de proceskosten.

1.3.

Bij besluit van 14 april 2006 (plaatsingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2007, is appellant met ingang van 1 mei 2006 definitief geplaatst in de functie senior piw’er en bezoldigd naar schaal 8 van het BBRA. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 10 december 2007 gegrond verklaard en het besluit van

16 februari 2007 is vernietigd wegens een gebrekkige motivering. De minister is opgedragen om opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen met inachtneming van de in de uitspraak gegeven overwegingen.

1.4.

Ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank heeft de minister bij besluit van

27 oktober 2008 (bestreden besluit) opnieuw op het bezwaar beslist en het plaatsingsbesluit van 14 april 2006 (opnieuw) gehandhaafd.

1.5.

Bij uitspraak van 31 maart 2010 heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het plaatsingsbesluit te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 1 mei 2006, na afloop van zijn tijdelijke tewerkstelling in de functie van senior piw’er, tot de dag van het inmiddels aan hem verleende flo, de functie van afdelingshoofd bekleedde. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit ten aanzien van de component van het ontheffen van appellant uit zijn functie van afdelingshoofd nog steeds niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat met deze uitspraak vast staat dat het plaatsingsbesluit onrechtmatig was. De minister is aansprakelijk voor de hieruit voortgevloeide schade. Het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover wordt heropend.

2. Nadat appellant in de gelegenheid is gesteld om de door hem gestelde schade nader te onderbouwen heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat slechts die schade voor vergoeding in aanmerking kan komen die door het in de uitspraak van 31 maart 2010 herroepen plaatsingsbesluit is veroorzaakt, waarbij bovendien heeft te gelden dat de schade die het gevolg is van de inschaling van appellant met ingang van 1 mei 2006 in de bij de functie van senior piw’er behorende salarisschaal in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking kan komen. Voor zover appellant heeft verzocht om een volledige proceskostenvergoeding overweegt de rechtbank dat van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een vergoeding in afwijking van de in artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) neergelegde forfaitaire vergoeding geen sprake is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat de (beweerdelijk) door appellant geleden fiscale schade die het gevolg is van de te late betaling van de bezoldiging door de minister dient te worden vergoed. Appellant heeft deze schade begroot op

€ 18.206,03. Appellant voert voorts aan dat de sinds 1 mei 2006 gemaakte proceskosten ten bedrage van € 69.484,- voor volledige vergoeding in aanmerking komen.

3.2.

De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een verzoek om schadevergoeding komt voor inwilliging in aanmerking indien de gestelde schade in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant gestelde fiscale (loon)schade niet als een gevolg van het vernietigde plaatsingsbesluit kan worden aangemerkt en dientengevolge de minister niet als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Het betoog van appellant dat de fiscale loonschade door de minister dient te worden vergoed, slaagt niet.

4.3.

Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat appellant in aanmerking komt voor een hogere vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan de op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bpb aan appellant toegekende forfaitaire vergoeding.

4.4.

Het uitgangspunt van het op artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gebaseerde Bpb bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Bpb vermeldt hierover dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding - zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verhogen of verlagen.

4.5.

Wil naar het oordeel van de Raad sprake zijn van bijzondere omstandigheden dan zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken (zie de uitspraak van de Raad van 17 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0245). Bij de beoordeling of daarvan sprake is, dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of betrokkene de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft.

4.6.

De Raad is van oordeel dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet. Daarbij worden in aanmerking genomen de aan het bestreden besluit voorafgegane werkwijze en besluitvorming van de minister en de in dat verband gedane duidelijke rechterlijke uitspraken. Ofschoon de minister uit de uitspraken van de Raad van 3 juni 2004 en 8 mei 2008 reeds had moeten afleiden dat appellant aanspraak had op plaatsing in een leidinggevende functie, heeft de minister niettemin bij het bestreden besluit van 28 oktober 2008 wederom nagelaten zo’n plaatsing te verrichten en daarmee slechts gebrekkig uitvoering gegeven aan de door de rechtbank in haar uitspraak van 10 december 2007 gegeven opdracht. De minister heeft door zijn hardnekkige houding appellant nodeloos in een positie gebracht waarin deze ter bestrijding van het standpunt van de minister weer aanzienlijke proceskosten heeft moeten maken. Daarmee is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbp, die aanleiding geven om appellant een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Bbp. Het betoog van appellant slaagt in zoverre.

4.7.

De door appellant gemaakte kosten voor rechtsbijstand, gemoeid met het opkomen tegen het bestreden besluit tot aan het daarover door de rechtbank gegeven oordeel bij uitspraak van 31 maart 2010, bedragen € 11.314,-. Nu de Raad niet is gebleken dat appellant deze kosten redelijkerwijs niet had behoeven te maken, komen deze kosten voor volledige vergoeding in aanmerking. Met deze vergoeding dient te worden verrekend de reeds bij uitspraak van

31 maart 2010 toegekende forfaitaire vergoeding van € 1.288,-.

4.8.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre zal worden vernietigd. De Raad zal vervolgens, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het verzoek om vergoeding van gemaakte rechtsbijstandskosten met toepassing van artikel 2, derde lid, van de Bbp toewijzen met inachtneming van het overwogene onder 4.7.

5. Aanleiding bestaat de minister in deze procedure met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 980,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.225,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het verzoek om vergoeding van

beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bbp is

afgewezen;

- wijst het verzoek om vergoeding van gemaakte rechtsbijstandskosten toe overeenkomstig

het overwogene in rechtsoverweging 4.7;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 2.205,-;

- bepaalt dat de minister het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 384,-

betaalt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) R.G. van den Berg

HD