Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
12/5344 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:840) heeft het Uwv op 8 juni 2015 een nieuwe (gewijzigde) beslissing op bezwaar genomen. Bij het besluit van 8 juni 2015 heeft het Uwv de ingangsdatum van de weigering van de WAO-uitkering nogmaals ten gunste van appellant gewijzigd in 1 december 2004. Niet ingezien kan worden waarom die weigering geen stand zou kunnen houden. Zoals door appellant is erkend, heeft hij pas aan zijn inlichtingenverplichting voldaan door zijn verblijfsadres op 12 september 2005 aan het Uwv op te geven. Dat brengt mee dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat de arbeidsongeschiktheid daardoor niet per 1 december 2004 kon worden vastgesteld, zodat toepassing kon worden gegeven aan artikel 36a, eerste lid aanhef en onder d van de WAO. Door de toepassing van deze bepaling te beperken tot 12 september 2005 is op juiste wijze uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5344 WAO, 15/8072 WAO

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 augustus 2012, 11/6264 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 maart 2015 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2015:840).

Ter uitvoering van die tussenuitspraak heeft het Uwv op 8 juni 2015 een nieuwe (gewijzigde) beslissing op bezwaar genomen (Dit besluit is bij de Raad geregistreerd onder nummer 15/8072). De Raad zal dat besluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in zijn beoordeling betrekken.

Namens appellant heeft mr. J. Nijssen, advocaat, gereageerd.

Het Uwv heeft nader gereageerd.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de hiervoor vermelde tussenuitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

2. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar heeft het Uwv alsnog WAO-uitkering toegekend met ingang van 12 september 2005. Daarbij heeft het Uwv uitvoering gegeven aan het gestelde in de tussenuitspraak, namelijk dat het Uwv bij zijn nieuwe besluit zal moeten betrekken de omstandigheid dat, blijkens een tot de gedingstukken behorende gespreksnotitie, appellant zich op 12 september 2005 bij de receptie van het Uwv Alkmaar heeft gemeld, en aldaar zijn verblijfsadres heeft doorgegeven. Ook heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak door alsnog uitkering te verlenen over de periode dat appellant zich aan de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde vrijheidsstraf heeft onttrokken.

3. Appellant stelt zich op het standpunt dat hem ook uitkering toekomt over de periode van

1 december 2004 tot 12 september 2005. Daartoe is verwezen naar rechtsoverweging 4.3. van de tussenuitspraak inzake het vervallen zijn van het schorsingsbesluit van 29 maart 2005.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de tussenuitspraak is overwogen dat het schorsingsbesluit van 29 maart 2005 door het besluit van 2 mei 2007, waarbij de WAO-uitkering werd ingetrokken per 1 januari 2004, zijnde een datum gelegen voor de datum waarop de schorsing was ingegaan, namelijk

1 december 2004, is komen te vervallen. Daarmee is echter - hoewel later ingetrokken - niet vervallen dat besluit van 2 mei 2007, dan wel het latere besluit van 27 oktober 2010, waarbij de datum van intrekking van de WAO-uitkering nader is bepaald op 27 augustus 2004. Bij het besluit van 8 juni 2015 heeft het Uwv de ingangsdatum van de weigering van de WAO-uitkering nogmaals ten gunste van appellant gewijzigd in 1 december 2004. Niet ingezien kan worden waarom die weigering geen stand zou kunnen houden. Zoals door appellant is erkend, heeft hij pas aan zijn inlichtingenverplichting voldaan door zijn verblijfsadres op

12 september 2005 aan het Uwv op te geven. Dat brengt mee dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat de arbeidsongeschiktheid daardoor niet per 1 december 2004 kon worden vastgesteld, zodat toepassing kon worden gegeven aan artikel 36a, eerste lid aanhef en onder d van de WAO. Door de toepassing van deze bepaling te beperken tot 12 september 2005 is op juiste wijze uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak.

5. Door het besluit van 8 juni 2015 heeft het Uwv het gebrek in het besluit van 21 november 2011 hersteld. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 8 juni 2015 dient ongegrond te worden verklaard.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 1.225,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.205. Het Uwv heeft reeds beslist de kosten in de bezwaarfase te zullen vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juni 2015 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.205,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 156,- in totaal vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.L. Rijnen

RH