Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/3776 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is zorgvuldig geweest. De rechtbank kan gevolgd worden in het oordeel dat aan de conclusies van Lavaleije geen doorslaggevende betekenis toekomt. De rechtbank kan evenzeer gevolgd worden in de conclusie dat de arbeidskundige kant van deze besluitvorming de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3776 WIA

Datum uitspraak: 27 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 juni 2014, 14/228 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 13 november 2013 geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontstaat omdat appellante met ingang van die dag minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 11 december 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het besluit van

25 september 2013 en het bestreden besluit berusten op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar hetgeen zij in beroep naar voren heeft gebracht, aangevoerd dat zij 100% arbeidsongeschikt is. Zij heeft daarbij opnieuw verwezen naar het rapport van 20 januari 2014 van de door haar tijdens de gedingvoering in eerste aanleg ingeschakelde bedrijfsarts T. Lavaleije en naar de brief van

26 maart 2014 van de gezondheidszorgpsycholoog/neuropsycholoog drs. A. Zaal aan appellantes huisarts.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over aangevallen uitspraak.

4.1.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er op grond van de rapporten van de zogenoemde primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het uitgevoerde verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Alle beschikbare objectieve medische informatie is bij de beoordeling betrokken.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 11 april 2014 geconstateerd dat de anamnestische gegevens die bedrijfsarts Lavaleije heeft vermeld overeenkomen met de gegevens die bij de verzekeringsartsen van het Uwv bekend waren. De rechtbank is terecht de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in het oordeel dat Lavaleije over appellante extra beperkingen aanneemt zonder nadere onderbouwing en zonder dat hij eigen onderzoeksbevindingen beschrijft. Lavaleije acht appellante zwaarder beperkt dan het Uwv heeft aangenomen betreffende haar mogelijkheden om zich te concentreren en om haar aandacht te verdelen. Drs. Zaal vermeldde in haar in 3.1 vermelde brief dat zij op die gebieden echter geen problemen waarnam, waarbij de rechtbank er gewicht aan toekent dat de conclusies van deze psycholoog zijn gebaseerd op een eigen neuropsychologisch onderzoek. Lavalije heeft appellante daarentegen niet onderzocht. De rechtbank kan daarom gevolgd worden in het oordeel dat aan de conclusies van Lavaleije geen doorslaggevende betekenis toekomt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts terecht vastgesteld dat de door drs. Zaal genoemde diagnose chronische posttraumatische stressstoornis reeds bekend was en door hem is meegenomen bij zijn beoordeling. De stemmingsstoornis die door drs. Zaal is vermeld is niet eerder uit anamnestische gegevens naar voren gekomen. Dat appellante stemmingsklachten heeft is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter geen reden om zwaardere beperkingen aan te nemen. In hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd is geen aanleiding gelegen om dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Het gegeven dat appellante volgens haar verklaring ter zitting tot 1 januari 2014 wekelijks gedurende ongeveer één uur EMDR-therapie onderging is geen grond om ten aanzien van haar een beperking van de arbeidstijd noodzakelijk te achten. Het Uwv heeft terecht gesteld, dat daarvoor geen aanleiding is gezien de duur van de wekelijkse therapie en de omvang van de geduide voorbeeldfuncties.

4.3.

De rechtbank kan evenzeer gevolgd worden in de conclusie dat de arbeidskundige kant van deze besluitvorming de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 5 september 2013 is het Uwv, op basis van de rapporten van zijn arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, terecht tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt was om de geduide voorbeeldfuncties te verrichten. Anders dan namens appellante is gesteld, komt uit het Resultaat functiebeoordeling van de functie schadecorrespondent niet naar voren dat deze in een drukke kantoorruimte met 30 personen moet worden uitgeoefend. In de functieomschrijving is immers alleen vermeld dat de functionaris deel uitmaakt van een team van 30 personen en dat hij of zij in een ruimte werkt met enkele tientallen collega’s. Uit de toelichting van de arbeidsdeskundige blijkt dat deze kantooromgeving vrij rustig is.

4.4.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AP