Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
13/5677 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor de laatst verrichte arbeid als docente inburgeringscursussen voor veertig uur per week. Voldoende medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5677 ZW

Datum uitspraak: 9 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2013, 13/2055 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door F. van Meer.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als docente inburgeringscursussen voor 40 uur per week bij [naam B.V.] Per 4 augustus 2012 is het dienstverband van appellante beëindigd. Vanuit de situatie waarin appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving heeft appellante zich met ingang van 14 september 2012 ziek gemeld wegens handklachten en uitstralingsklachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 24 december 2012 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij met ingang van die datum weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van de laatst verrichte arbeid als docente inburgeringscursussen voor veertig uur per week. Bij besluit van 25 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 december 2012 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 februari 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben zorgvuldig dossier- en medisch onderzoek verricht en zich op de hoogte gesteld van de medische informatie van de behandelend sector. De verzekeringsartsen hebben volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij appellante geschikt achten voor haar eigen functie waarbij in aanmerking is genomen dat de werkzaamheden van appellante relatief licht van aard waren. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat door de verzekeringsarts bij het lichamelijk onderzoek op 18 december 2012 geen evidente en/of manifeste beperkingen aan de handen van appellante zijn aangetroffen en dat informatie van de behandelend sector evenmin heeft aangetoond dat er sprake is van medisch objectiveerbare beperkingen aan de handen. De rechtbank volgt appellante niet in haar stelling dat zij door het gebruik van een rollator haar eigen werk niet zou kunnen uitoefenen. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken niet blijkt dat het gebruik van een rollator medisch was geïndiceerd en door een arts is voorgeschreven. Het subjectieve oordeel van appellante dat zij als gevolg van haar klachten niet in staat is arbeid te verrichten is volgens de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk. De rechtbank heeft het beroep van appellante om die redenen ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat geen zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Het Uwv is volgens appellante daarbij uitgegaan van een onjuiste functiebeschrijving. Appellante heeft in dat verband gesteld dat zij haar werkzaamheden niet meer kan verrichten door terugkerende heup- en handklachten. Volgens appellante zijn haar werkzaamheden fysiek te belastend voor haar benen en handen en zijn haar werkzaamheden te mobiel. Zo heeft zij niet de voor het laden en lossen en het tillen van de rollator in de auto vereiste fysieke handkracht en is het vereiste regelmatige schrijfwerk te belastend voor appellante. Ook is het voor appellante niet mogelijk om tijdens de lessen op een whiteboard te schrijven omdat dat vaak te hoog hangt. Vanwege de toename van haar klachten is appellante rollator afhankelijk geworden. De rechtbank heeft volgens appellante ten onrechte overwogen dat de rollator niet medisch was geïndiceerd. Het tegendeel blijkt volgens appellante uit de door haar overgelegde schriftelijke aanvraag hulpmiddelen van 13 september 2012 van de huisarts van appellante en uit de medische informatie van de orthopeed en revalidatiearts. Tevens heeft appellante aangevoerd dat zij niet haar eigen werkzaamheden meer kon uitoefenen omdat niet op iedere locatie een lift aanwezig was waardoor appellante moest traplopen wat voor haar te belastend is. Appellante stelt dan ook ten onrechte arbeidsgeschikt te zijn verklaard voor haar eigen werk.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als docente inburgeringscursussen, is deze functie terecht als haar arbeid aangemerkt.

4.2.

Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Zoals door de Raad reeds eerder is geoordeeld (zie de uitspraak van 6 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672) is het vijfde lid van artikel 19 van de ZW geschreven met het doel om voor vangnetters zonder werkgever het begrip “zijn arbeid” te verruimen door, in het geval sprake is van bijzondere aspecten van het werk welke een werkhervatting in de weg staan, deze buiten beschouwing te laten. Gelet op dit doel dienen alleen bijzondere verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk buiten beschouwing gelaten te worden. Bijzondere verlichtende aspecten dienen niet buiten beschouwing gelaten te worden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het door het Uwv verrichte medische onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellante is zowel door de verzekeringsarts als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch onderzocht en de bevindingen van de medische sector zijn bij die beoordeling betrokken. Beide verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat de beperkingen van appellante niet in de weg staan aan het verrichten van haar eigen werk als docente inburgeringscursussen waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met de volledige en zwaardere belasting van het eigen werk waaronder het vereiste schrijfwerk, het werken met een whiteboard en het met de auto rijden van het ene locatie naar de andere. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat traplopen geen kenmerkend onderdeel is van de functie van docente inburgeringscursussen. Voor zover hierbij al sprake was van verzwarende omstandigheden die bij een soortgelijke werkgever niet gewoonlijk kenmerkend zijn voor haar werk, kunnen deze omstandigheden gezien het overwogene onder 4.2 niet leiden tot arbeidsongeschiktheid van appellante voor haar werk.

4.4.

Daaraan wordt, met betrekking tot het oordeel van de rechtbank over het gebruik van de rollator, nog toegevoegd dat, anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, appellante met de door haar overgelegde stukken van de huisarts en revalidatiearts heeft aangetoond dat het gebruik van de rollator medisch is geïndiceerd. Nu uit de onderliggende medische stukken niet blijkt dat haar heup- en knieklachten ten tijde van belang zijn verergerd maakt het gebruik van de rollator niet dat appellante om die reden haar eigen werkzaamheden niet kan uitoefenen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het gebruik door appellante van een rollator ook onderkend, maar daarin geen indicatie gezien voor het aannemen van meer beperkingen.

4.5.

Derhalve wordt geen aanleiding gezien de conclusies van het Uwv ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid van appellante per 24 december 2012 voor onjuist te oordelen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv het standpunt dat appellante per 24 december 2012 geschikt te achten is voor haar eigen werk voldoende heeft onderbouwd.

4.6.

Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd of nieuwe wezenlijke gezichtspunten naar voren gebracht met betrekking tot haar medische situatie ten tijde hier in geding die nopen tot een andersluidend oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht waarom de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de behandelend revalidatiearts en de huisarts van appellante niet leiden tot een andere conclusie.

4.7.

Er bestaat dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een medisch deskundige voor het verrichten van nader onderzoek.

4.8.

Uit de overwegingen onder 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L.L. van den IJssel

GdJ