Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/3149 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De onderzoeken van de verzekeringsartsen en medische stukken bieden voldoende grondslag voor de onderbouwing van het standpunt dat appellante ondanks haar psychische klachten geschikt was voor haar eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3149 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
8 mei 2014, 14/83 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] , wonende te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 december 2015

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als verkoopmedewerkster voor gemiddeld 24 uur per week. Op 19 februari 2013 is zij in deze werkzaamheden uitgevallen in verband met psychische klachten. In verband met het eindigen van het dienstverband met ingang van 17 maart 2013 heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 28 oktober 2013 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van

28 oktober 2013 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij met ingang van die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van haar eigen werk. Bij besluit van

12 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 oktober 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 december 2013 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. De verzekeringsartsen hebben volgens de rechtbank in hun rapportage aandacht besteed aan de psychische klachten van appellante. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de behandelend sector in zijn beoordeling meegewogen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsartsen de psychische klachten van appellante hebben onderkend, maar geen ernstige psychopathologie hebben waargenomen bij appellante. De verzekeringsartsen hebben volgens de rechtbank op juiste gronden geconcludeerd dat appellante per datum in geding geschikt is om haar eigen werk weer te verrichten, waardoor er volgens de rechtbank geen ruimte is om de resultaten van de behandeling af te wachten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden de ZW-uitkering van appellante per 28 oktober 2013 heeft beëindigd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat zij niet geschikt kan worden geacht voor het verrichten van haar eigen werkzaamheden. Volgens appellante heeft het Uwv haar ziekte verkeerd ingeschat. Appellante stelt daartoe dat zij nog steeds onder behandeling is bij Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige E. Tessink (Tessink) en bij Me Motion. Appellante heeft nog steeds angstklachten en gebruikt medicijnen. Het intensieve traject dat appellante zou gaan volgen, is volgens appellante vertraagd doordat zij op 5 april 2014 is mishandeld door haar buurman. Door dit voorval heeft appellante lichamelijke klachten gekregen en zijn haar psychische klachten verergerd. Tevens wijst appellante erop dat ‘de medewerkers van de WW en de bijstand’ het niet raadzaam vinden dat zij op dit moment werkzaamheden gaat verrichten.

3.2.

Het UWV heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als verkoopmedewerkster, is deze functie terecht als haar arbeid aangemerkt.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Appellante is zowel door de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien, beide artsen hebben dossieronderzoek verricht en hebben de psychische klachten van appellante in hun oordeel meegewogen, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende informatie heeft opgevraagd bij Tessink en diens informatie bij zijn bevindingen betrokken. Gelet op de onderzoeken van de verzekeringsartsen en de beschikbare medische stukken heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat appellante per 28 oktober 2013 geschikt was voor het verrichten van haar eigen werk.

4.3.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt onvoldoende reden om aan de juistheid van de conclusie van het Uwv te twijfelen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken meer overgelegd. Ook de reeds beschikbare medische informatie met de gegevens die appellante in beroep heeft ingebracht wijzen er niet op dat bij appellante op

28 oktober 2013 van verdergaande beperkingen sprake was dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen. Het Uwv heeft in reactie op de door appellante in beroep overgelegde informatie van Tessink en GZ-psycholoog A. van der Valle met juistheid gesteld dat de angstklachten van appellante bekend zijn en zijn meegewogen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De opvatting van Tessink dat het wenselijk is te wachten met hervatting van werkzaamheden totdat het intensiever behandeltraject is afgerond gaat er aan voorbij dat het in deze zaak gaat om de geschiktheid tot het verrichten van de in aanmerking komende arbeid per de hier van belang zijnde datum van 28 oktober 2013 waarbij een diagnose niet doorslaggevend is noch de eigen opvatting van appellante daarover. Daarbij komt dat de opvatting van Tessink niet een beoordeling door een medicus betreft. Tenslotte duiden ook de aard en frequentie van de behandeling bij Me Motion er niet op dat appellante niet in staat was om haar werkzaamheden te verrichten.

4.4.

Gezien het voorgaande vormen de onderzoeken van de verzekeringsartsen en medische stukken voldoende grondslag voor de onderbouwing van het standpunt dat appellante ondanks haar psychische klachten per 28 oktober 2013 geschikt was voor haar eigen werk.

4.5.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 overwogen is leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L.L. van den IJssel

JL