Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/4659 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling en terugvordering pgb. Appellant heeft niet aan de verantwoordingsplicht voldaan. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan bij afweging van het belang van een goede besteding van publieke middelen en het belang van appellant, tot het oordeel moet worden gekomen dat de vaststelling van het pgb-bedrag op nihil en de terugvordering niet in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4659 AWBZ

Datum uitspraak: 9 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 juli 2014, 13/450 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Achmea Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.E. Meyer hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Mr. Meijer is verschenen namens appellant. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft het aan appellant verleende persoonsgebonden budget (pgb) over de periode 1 januari 2011 tot en met 21 juli 2011 vastgesteld op nihil en het uitbetaalde bedrag van €4.414,12 teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 18 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen de vaststelling van het persoonsgebonden budget (pgb) en de terugvordering ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat de overgelegde arbeidsovereenkomst uit 2009 met [naam dochter] , de dochter van appellant, vermeldt dat zij huishoudelijke en verzorgende diensten zal verrichten tegen een beloning van € 700,- per maand maar dat niet duidelijk is of, en in welke omvang, de werkzaamheden betrekking hebben op de geïndiceerde persoonlijke verzorging. De aard van de werkzaamheden blijkt evenmin uit de overgelegde kwitanties. Daarnaast is een kwitantie niet voldoende om aan te tonen dat de bedragen daadwerkelijk uitgekeerd zijn. De gestelde onregelmatigheden van een administratiekantoor, waarvan appellant stelt slachtoffer te zijn geworden, doen niet af aan de verantwoordelijkheid van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar de wettelijke regeling overwogen dat uit de door appellant overgelegde stukken niet valt af te leiden op welke momenten de dochter zorg heeft verleend en evenmin of zorg is verleend voor de geïndiceerde persoonlijke verzorging. De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen. De nader overgelegde stukken, een verantwoordingsformulier, kwitanties, bankafschriften en urenstaten, bieden onvoldoende samenhang tussen de opnames in contanten en de overgelegde kwitanties.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat uit de urenstaten voldoende blijkt welke zorg is verleend en dat de bulk van de uren daarvan uit persoonlijke verzorging heeft bestaan. Dit blijkt ook uit de verklaring van de dochter ter zitting van de rechtbank. Het geheel van overgelegde stukken maakt duidelijk dat het toegekende en uitbetaalde pgb voor 90% aan geïndiceerde zorg is besteed. Het niet afzien van terugvorderen is in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Daarbij heeft appellant gesteld dat in 2011 nog geen vereiste bestond voor girale betaling en heeft hij bovendien verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:755.

4. De Raad komt tot volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in de bezwaar- en beroepsfase de volgende stukken overgelegd:

- de onder 1.2 genoemde arbeidsovereenkomst;

- vijf kwitanties van contante betalingen vanaf 21 januari 2011 van € 700,- per maand en een laatste kwitantie van € 200,- gedateerd 19 juni 2011;

- een verantwoordingsformulier pgb 2011 uitkomende op een totaal bedrag van € 3.700,-;

- een overzicht van bankopnames in de periode 17 januari tot en met 18 april 2011, variërend van € 150,- tot € 1.000,-, tot een totaal bedrag van € 3.860,-;

- bankafschriften met contante opnames en de betaling door de gemeente van een bedrag met vermelding “pgb vergoeding inzake wmo”;

- urenstaten met opgave van anderhalf uur voor iedere werkdag in de periode van 3 januari tot en met 29 juli 2011.

4.2.

Terecht heeft de rechtbank geconstateerd dat de arbeidsovereenkomst uit 2009 (ook) melding maakt van huishoudelijke werkzaamheden en dat de contante opnames niet overeenkomen met de betalingen volgens de kwitanties. Daarbij komt dat appellant eveneens een pgb op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft ontvangen maar ter zitting desgevraagd geen nadere verklaring heeft kunnen geven over de mogelijke samenhang tussen dit pgb en de betalingen aan zijn dochter. Met de eerder door appellant in de procedure overgelegde stukken is niet alsnog het gebruik van het aan appellant toegekende pgb afdoende verantwoord. Daarbij is niet van belang dat voor het jaar 2011 nog geen verplichting bestond de betalingen aan de zorgverlener giraal te verrichten.

4.3.

Het Zorgkantoor heeft appellant tot in de bezwaarfase de gelegenheid geboden aan zijn verantwoordingsplicht te voldoen. Nu hij hieraan niet heeft voldaan heeft het Zorgkantoor terecht geconstateerd dat hij niet aan die verantwoordingsplicht heeft voldaan en heeft het hieraan de conclusie kunnen verbinden dat het bedrag van € 4.414,12 onverschuldigd is betaald.

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635), moet het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om de pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang kan zijn (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3 p. 74). Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan bij afweging van het belang van een goede besteding van publieke middelen en het belang van appellant, tot het oordeel moet worden gekomen dat de vaststelling van het pgb-bedrag op nihil en de terugvordering niet in stand kunnen blijven.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015.

(getekend) J. Brand

(getekend) W. de Braal

UM