Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/4734 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4734 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 juli 2014, 13/5342 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Madern en vergezeld door [naam A.] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als assistent afwerker in een drukkerij voor 40 uur per week. Op 29 april 2011 is hij voor dit werk uitgevallen met nekklachten.

1.2.

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

26 april 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 14 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 maart 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv zijn belastbaarheid heeft overschat. Appellant heeft aangevoerd dat in 2014 bij hem de diagnose reumatoïde artritis is gesteld, maar dat hij hiervan op de datum in geding ook al beperkingen ondervond. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben die beperkingen onvoldoende onderkend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een tweetal rapporten van reumatoloog N. Duru-Yilmaz overgelegd. De reumatoloog schrijft dat appellant achteraf gezien waarschijnlijk al langer een polyartritis heeft, wat eerder niet als zodanig is herkend. Verder heeft appellant een besluit van 29 september 2015 ingebracht, waaruit blijkt dat het Uwv heeft vastgesteld dat hij met ingang van 18 oktober 2013 recht heeft op een

IVA-uitkering. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij niet in staat is de geduide voorbeeldfuncties te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen reden bestaat meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft dossieronderzoek verricht en appellant op het spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht. In het rapport van

25 februari 2013 heeft deze arts geconcludeerd dat appellant spanningsklachten en nek- en gewrichtspijn heeft. Door de nekklachten is appellant beperkt voor frequent zwaar tillen, boven schouderhoogte werken en het werken met zware beschermende middelen zoals een loodschort. Voorts is appellant door zijn medicijngebruik beperkt voor het werken op hoogte en het werken met gevaarlijke machines. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en appellant aansluitend psychisch en lichamelijk onderzocht. Voorts heeft deze arts de in bezwaar overgelegde medische informatie bij zijn beoordeling betrokken. In het rapport van 16 juli 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen grotendeels onderschreven kunnen worden. Uit het verrichte lichamelijk onderzoek blijkt dat appellant geen mobiliteitsbeperkingen in de schouder heeft. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan daarom de beperking voor het werken boven schouderhoogte uit de FML worden verwijderd. Vanwege een door appellant in april 2013 ondergane knieoperatie bestaat aanleiding een nadere beperking aan te nemen voor lopen en traplopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een FML van 16 juli 2013.

4.2.

Appellant heeft in beroep informatie van de behandelend sector overgelegd. Appellant heeft onder andere een brief van reumatoloog Duru-Yilmaz van 11 maart 2014 ingebracht. De reumatoloog schrijft in deze brief dat bij appellant in maart 2014 de diagnose reumatoïde artritis is gesteld. Verder blijkt uit het door haar verrichte lichamelijk onderzoek dat exorotatie en elevatie van de schouder beperkt mogelijk was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie hierop overtuigend gemotiveerd dat de overgelegde informatie geen aanleiding vormt een ander standpunt in te nemen over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, 26 april 2013. Dat bij appellant in maart 2014 de diagnose reumatoïde artritis is gesteld, wil volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zeggen dat deze diagnose op de datum in geding ook al actueel was. Bij het in bezwaar verrichte lichamelijk onderzoek zijn geen bewegingsbeperkingen van de schouders vastgesteld en appellant had geen opgezette handen. Dit komt overeen met de onderzoeksbevindingen van reumatoloog

M.T. Nurmohamed zoals neergelegd in het rapport van 11 oktober 2012. Bij het lichamelijk onderzoek heeft deze arts geen tekenen van reumatische artritis aangetroffen en er waren evenmin bewegingsbeperkingen van de ellebogen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt het beeld dat ruim na de datum in geding een infectie is ontstaan bevestigd in de uitslagen van bloed- en urine onderzoeken. In 2013 zijn bij appellant, behoudens een verhoogde cholesterol, geen afwijkende waarden gevonden. Voorts blijkt uit de brief van reumatoloog Duru-Yilmaz dat bloedonderzoeken in 2012 en 2014 verschillende waarden laten zien. In 2012 was de anti-CCP waarde van appellant met 4.2 binnen de norm. Verder was in 2012 de reumafactor type IgM 7, terwijl deze factor in 2014 is vastgesteld op 24. De in maart 2014 gestelde diagnose reumatische artritis lijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom eerder een novum te zijn dan een niet eerder onderkende diagnose.

4.3.

In hoger beroep heeft appellant opnieuw informatie van reumatoloog Duru-Yilmaz ingebracht. In het rapport van 17 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat deze informatie geen reden vormt om de voor appellant vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. De verdenking van reumatoloog Duru-Yilmaz dat appellant al langer polyartritis heeft, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een inschatting van waarschijnlijkheid. Deze inschatting komt echter niet overeen met zijn eigen onderzoeksbevindingen en de bloedwaarden uit 2012 en 2013. Appellant heeft voorts een besluit van 29 september 2015 overgelegd, waarin het Uwv heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 18 oktober 2013 recht heeft op een IVA-uitkering. Dit besluit zegt echter niets over de beperkingen van appellant op de datum in geding, 26 april 2013. Er bestaat dan ook geen aanleiding de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding voor onjuist te houden.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 9 augustus 2013 inzichtelijk gemotiveerd dat appellant in staat is de geduide voorbeeldfuncties te vervullen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) N. Veenstra

NK