Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/2481 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2162, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verandering WGA-loonaanvullingsuitkering 24 maanden. Met ingang van 1 februari 2015 wordt appellantes uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Afwijzing vergoeding van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2481 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 maart 2014, 13/5054 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.C. de Jonge, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 11 november 2008 uitgevallen voor haar werk van baliemedewerkster vanwege psychische en lichamelijke klachten. Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 9 november 2010 recht ontstaat op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Naar aanleiding van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2013 vastgesteld dat de WGA-loonaanvullingsuitkering 24 maanden niet verandert en dat met ingang van 1 februari 2015 appellantes uitkering wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 9 juli 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, betoogd dat het Uwv in strijd met artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA de inkomenseis heeft vastgesteld voor een datum zo ver in de toekomst. Ten onrechte vermeldt de rechtbank niet in hoeverre een verzekeringsarts bevoegd is om in 2012 de medische situatie te beoordelen die tevens betrekking heeft op de gezondheidssituatie per februari 2015. De aangevallen uitspraak is onzorgvuldig omdat daarin niet is onderkend dat appellante vanwege psychische én lichamelijke klachten is uitgevallen. De aangevallen uitspraak ontbeert voldoende motivering, omdat wordt uitgegaan van een te beperkt medisch beeld. Naast psychische klachten heeft appellante energetische klachten en somatische klachten. Niet wordt onderkend dat er in de jaren voorafgaand aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling sprake is van een toename van de medische problematiek. De ernst van de psychische problematiek ten tijde van de beoordeling wordt door de verzekeringsartsen niet onderkend en onvoldoende vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Dit volgt onder meer uit de brief van de RIAGG van

23 april 2013. De verzekeringsartsen hebben de gegevens uit de behandelend sector onvoldoende betrokken bij hun beoordeling. Gezien hetgeen de verzekeringsarts aan klachten en bevindingen heeft vermeld in het rapport dat ziet op de beoordeling in 2010, moet appellante op die basis reeds volledig arbeidsongeschikt zijn geweest en niet alleen op de grond dat zij intensieve therapie zou gaan volgen. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante een brief van Instituut Psychosofia van 26 oktober 2015 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft, gemotiveerd, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De onder 3.1 genoemde grond die ziet op de vaststelling van de inkomenseis voor een datum in de toekomst en de daarop gerichte verzekeringsgeneeskundige beoordeling slaagt niet. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft betrekking op appellantes medische situatie in januari 2013. De vaststelling van de inkomenseis is geschied overeenkomstig artikel 60, tweede en derde lid, van de Wet WIA.

4.2.

De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellante gezien en psychisch onderzocht op het spreekuur. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante in verbeterde toestand is ten opzichte van september 2010. Zij is nog even verdrietig, maar wel weerbaar en minder depressief. Appellante is belastbaar voor werk met veel beperkingen voor het verrichten van arbeid op persoonlijk en sociaal gebied en met een urenbeperking van

20 uur. Door de urenbeperking blijft er tijd over voor therapie, therapieverwerking en ontspanning. Tevens is een urenbeperking aangewezen ter voorkoming van terugval. De verzekeringsarts heeft deze beperkingen voor het verrichten van arbeid voor appellante neergelegd in een FML. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eveneens dossieronderzoek verricht en de hoorzitting bijgewoond. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de door appellante in het geding gebrachte informatie van de behandelend sector. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie opgevraagd bij fysiotherapeut E.A.P. Burghout en is vervolgens in zijn rapport van 12 augustus 2015 ingegaan op de door appellante in bezwaar kenbaar gemaakte nek- en schouderklachten. Met deze rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om meer of verdergaande beperkingen voor appellante aan te nemen dan door de verzekeringsarts zijn neergelegd in de FML. Deze arts concludeert dat de groepstherapie die appellante om de twee tot drie weken heeft bij de psycholoog als laag frequent kan worden geclassificeerd. Als zodanig is er een vooruitgang ten opzichte van 2010, toen appellante meerdere dagen per week dagtherapie zou volgen. Blijkens de verzekeringsgeneeskundige rapporten speelden er toentertijd veel meer problemen op psychisch gebied. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft de in beroep overgelegde brief van het RIAGG van

29 ( lees: 23) april 2013 zijn eerdere bevindingen. De daaruit volgende beperkingen zijn goed vertaald in beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren in de FML en door het aannemen van een urenbeperking. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot de nek- en schouderklachten toegelicht dat het gaat om spierklachten. Spierklachten zijn meer gebaat met mobilisatie. Gelet daarop leiden spierklachten niet tot beperkingen in de FML. Verder blijkt dat appellante geen specialisten heeft geconsulteerd voor deze klachten, fysiotherapie bleek afdoende. In hoger beroep heeft appellante geen medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat. De informatie van Instituut Psychosofia van

26 oktober 2015 vermeldt geen nieuwe informatie. Alle door appellante naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector zijn nu op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsartsen relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante niet hebben beoordeeld. Gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en de in het dossier aanwezige informatie, is er nu geen aanleiding meer te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat door de arbeidsdeskundigen toereikend is gemotiveerd dat appellante de voor haar geselecteerde functies kan vervullen. De signaleringen van eventuele overschrijding van de belastbaarheid zijn naar behoren gemotiveerd.

4.4.

Nu eerst in hoger beroep de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit toereikend is gemotiveerd, maar dit geen wijziging teweegbrengt in het bestreden besluit, worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hieraan geen gevolgen verbonden. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt wel aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- aan verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) N. Veenstra

NK