Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/384 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:9753, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WIA-uitkering en tegemoetkoming-Wtcg met terugwerkende kracht. Terugvordering. Fraude. Simulatie van een onjuist psychiatrisch beeld. Op grond van het geheel van de omtrent appellante voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het door psychiater Kondakçi opgestelde expertise-rapport, is in genoegzame mate buiten twijfel gesteld dat appellante in staat was loonvormende arbeid te verrichten en voorts dat haar het verwijt treft van meet af aan bij de medische onderzoeken die uiteindelijk hebben geleid tot toekenning aan haar van uitkering de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door, zowel in de presentatie van haar klachten als met de over haar door [G.] verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te (doen) wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/384 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
12 december 2013, 13/306 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich op 18 januari 2006 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege psychische klachten. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het UWV vastgesteld dat voor appellante met ingang van 16 januari 2008 op grond van artikel 47 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Aan appellante is met ingang van 16 januari 2008 tevens een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. Appellante heeft over de jaren 2009, 2010 en 2011 eveneens een tegemoetkoming in de zin van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) ontvangen.

1.2.

Op 15 juni 2009 is door de Officier van Justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam “Marque”. Op 15 november 2011 is het rapport werknemersfraude opgesteld door J.J.M. Ubach opsporingsfunctionaris van het Uwv en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar. Dit rapport bevat een samenvatting van de relevante onderzoeksgegevens en een weergave van de processen-verbaal opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, waaronder de processen-verbaal van verhoor van

9, 10 en 11 mei 2011, waarbij appellante en haar echtgenoot als verdachten zijn gehoord. Op verzoek van de verzekeringsarts van het Uwv heeft psychiater H. Kondakçi op 13 maart 2012 bij appellante onderzoek verricht. Kondakçi heeft in zijn psychiatrische expertiserapport van 26 maart 2012 geconcludeerd dat de spanningsklachten van appellante reëel zijn, maar dat er feitelijk nimmer sprake is geweest van ernstige psychiatrie. In zijn rapport van 28 februari 2012, aangevuld met het rapport van 4 april 2012 heeft de verzekeringsarts op grond van de beschikbare informatie, te weten het rapport werknemersfraude van 15 november 2011, het psychiatrische expertiserapport van 26 maart 2012 en recente informatie van de huisarts van 24 februari 2012, vastgesteld dat er vanaf 16 januari 2008 bij appellante geen sprake was van beperkingen van de mogelijkheden om te functioneren.

1.3.

Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 10 juli 2012 het toekenningsbesluit van 8 januari 2008 ingetrokken en vastgesteld dat voor appellante met ingang van 16 januari 2008 geen recht op een uitkering op grond van de WIA is ontstaan aangezien zij toentertijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 18 juli 2012 heeft het Uwv de aan appellante betaalde toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) over de periode 1 mei 2012 tot en met 31 juli 2012 in totaal een bedrag van € 992,68 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het Uwv de aan appellante betaalde WIA-uitkering over de periode

16 januari 2008 tot en met 31 juli 2012 in totaal een bedrag van € 63.430,24 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 19 juli 2012 heeft het Uwv de aan appelante betaalde tegemoetkoming arbeidsongeschikten op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) over de jaren 2009, 2010 en 2011, in totaal een bedrag van €1.036,- van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 29 november 2012 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen voornoemde besluiten van 10, 18 en (tweemaal) 19 juli 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

6 november 2012 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding de bevindingen van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De rechtbank overweegt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat voldoende is gemotiveerd dat de beperkingen van appellante per 16 januari 2008 anders

zijn - in die zin dat zij geen in aanmerking te nemen arbeidsbeperkingen had - dan destijds is vastgesteld. Voorts is geoordeeld dat niet valt in te zien dat appellante door het ontbreken van de stukken uit het strafrechtelijk dossier in haar belangen is geschaad. De rechtbank heeft aan de ontkenning van appellante ter zitting, dat zij tegenover de opsporingsambtenaren en Kondakçi heeft verklaard dat haar handelen en presentatie misleidend waren, geen waarde gehecht. Niet is gebleken dat Kondakçi zijn onderzoek niet onafhankelijk heeft verricht. De rechtbank heeft vastgesteld dat door toedoen van appellante - namelijk het simuleren van een onjuist psychiatrisch beeld - aan haar ten onrechte een WIA-uitkering is toegekend, zodat verweerder de uitkering met terugwerkende kracht heeft mogen intrekken. Hiermee staat tevens vast dat appellante geen recht had op toeslag op grond van de TW en

Wtcg-tegemoetkoming. Van dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de intrekking of terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij in haar belangen is geschaad nu in deze procedure niet het gehele strafdossier (met de uitgewerkte processen-verbaal van verhoor) is overgelegd. Voorts heeft zij gesteld dat de psychiatrische expertise van Kondakçi is uitgevoerd in strijd met het in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen verbod van vooringenomenheid, nu aan hem voorafgaand aan de uit te voeren psychiatrische expertise het rapport werknemersfraude ter hand is gesteld. Ten slotte stelt appellante dat zij in 2008 wel degelijk beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verder verwezen naar onderdeel 3.1 en 3.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend. Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:2844).

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat op grond van het geheel van de omtrent appellante voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het door psychiater Kondakçi opgestelde expertise-rapport, in genoegzame mate buiten twijfel is gesteld dat appellante op 16 januari 2008 in staat was loonvormende arbeid te verrichten en voorts dat haar het verwijt treft van meet af aan bij de medische onderzoeken die uiteindelijk hebben geleid tot toekenning aan haar van uitkering met ingang van 16 januari 2008, de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door, zowel in de presentatie van haar klachten als met de over haar door [G.] verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te (doen) wenden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante zowel ten overstaan van de sociale recherche als bij de psychiatrische expertise van Kondakçi heeft verklaard dat zij bij het medisch onderzoek ten behoeve van de toekenning van de WIA-uitkering een psychiatrische stoornis heeft gesimuleerd, dat zij hierbij werd geholpen, dat de mensen die haar hierbij hebben geholpen hiervoor zijn betaald en dat zij psychiater [G.] niet herkent en nooit heeft gezien, terwijl deze psychiater (als behandelend sector) een psychiatrische diagnose heeft afgegeven waarop de toegekende WIA-uitkering mede is gebaseerd.

4.4.

Dat Kondakçi zijn expertise heeft uitgevoerd met vooringenomenheid is de Raad niet gebleken. Hoewel de Raad appellante volgt in haar betoog dat het niet gewenst is om voorafgaand aan een medische expertise de deskundige inzicht te geven in de strafrechtelijke onderzoeksgegevens, volgt hieruit in dit geval niet dat er sprake is van strijd met het verbod op vooringenomenheid zoals opgenomen in artikel 2:4 van de Awb. Blijkens het psychiatrische expertiserapport van 26 maart 2012 heeft Kondakçi immers een deugdelijk psychiatrisch onderzoek verricht. Er is uitgebreid met appellante gesproken, op grond waarvan in het rapport een duidelijk en gedetailleerd beeld wordt geschetst van de psychische gesteldheid van appellante over de in het geding zijnde periode. De door Kondakçi in het expertiserapport getrokken conclusies komen logisch voort uit zijn bevindingen tijdens het onderzoek. Daarbij betrekt de Raad tevens dat Kondakçi bij zijn expertise de strafrechtelijke onderzoeksgegevens aan appellante heeft voorgehouden en dat appellante op geen enkele wijze de door haar ten overstaande van de sociale recherche afgelegde belastende verklaringen heeft genuanceerd.

4.5.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in dit licht evenmin valt in te zien dat appellante in haar belangen is geschaad door het feit dat in deze bestuursrechtelijke procedure niet het volledige strafrechtelijke dossier is overgelegd. Het Uwv heeft nogmaals ter zitting uiteengezet dat het een lopend strafrechtelijk onderzoek betreft met diverse verdachten en dat om die reden het strafrechtelijk dossier door de Officier van Justitie niet is vrijgegeven.

4.6.

Gezien het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) D. van Wijk

AP