Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
14/2587 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ouderdomspensioen naar de norm voor gehuwden. Terugvordering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2587 AOW, 14/2588 AOW

Datum uitspraak: 15 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 maart 2013, 13/7171 en 13/7172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.P. Pandelitschka, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pandelitschka, die ook voor appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds november 2008 van de Svb een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde. Appellante ontving sinds februari 2013 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor een ongehuwde.

1.2.

Appellant staat sinds 20 februari 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) van de gemeente [woonplaats] op het adres van appellante. Op 31 mei 2013 heeft appellant op verzoek van de Svb een formulier gezamenlijke huishouding ingevuld en samen met een huurovereenkomst, waarin een ingangsdatum van 1 maart 2013 en een huurprijs van € 1.000,- staan vermeld, toegezonden. De Svb heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellanten. In dat kader hebben twee toezichthouders op 9 juli 2013 een huisbezoek afgelegd op het adres van appellanten. Appellanten waren beiden aanwezig en appellant heeft tijdens dit huisbezoek een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek en een verslag van het huisbezoek hebben de toezichthouders neergelegd in een rapport van 11 juli 2013. Appellant heeft bij e-mailberichten van 17 juli 2013 en 23 juli 2013 zijn reactie gegeven op dit rapport.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij afzonderlijke besluiten van 14 augustus 2013 de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van

1 maart 2013 te wijzigen in ouderdomspensioenen voor gehuwden op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren.

1.4.

Bij besluit van eveneens 14 augustus 2013 heeft de Svb het over de periode van maart 2013 tot en met juli 2013 onverschuldigd aan appellant verstrekte ouderdomspensioen van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 1.713,15. Bij afzonderlijk besluit van 14 augustus 2013 heeft de Svb het over dezelfde periode onverschuldigd aan appellante verstrekte ouderdomspensioen van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 1.266,92.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 14 november 2013 (bestreden besluiten) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 14 augustus 2013 ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren. Daarbij heeft de Svb geconcludeerd dat geen sprake is van een commerciële relatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bestreden besluiten onvolledig zijn gemotiveerd, maar dat op grond van de feitelijke situatie zoals die blijkt uit gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan worden aangenomen dat sprake is van wederzijdse zorg en derhalve een gezamenlijke huishouding.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 maart 2013 tot en met 14 augustus 2013.

4.2.

Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is er sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Niet in geschil is dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.

Appellanten hebben betwist dat sprake is van wederzijdse zorg als bedoeld in 4.4. Zij hebben aangevoerd dat hun relatie wordt gekenmerkt door zakelijke afspraken, zodat deze als een commerciële huurdersrelatie moet worden beschouwd.

4.5.1.

Vaststaat dat appellante de eigenaar is van de door appellanten bewoonde woning en dat appellant de op naam van appellante staande hypotheek betaalt. Appellant heeft tijdens het huisbezoek op 9 juli 2013 verklaard dat de overige lasten van de woning, zoals de verzekering, energie en onderhoud worden betaald door appellante. Appellant heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat de door hem overgelegde huurovereenkomst niet in overeenstemming is met de feitelijke situatie, nu geen sprake is van betaling van een huursom aan appellante, maar hij rechtstreeks de hypotheeklasten van appellante aan de hypotheekverstrekker betaalt en de vermelde huursom niet correspondeert met en hoger is dan de hypotheeklasten. Deze huurovereenkomst kan dan ook niet dienen ter onderbouwing van de gestelde zakelijke afspraken die appellanten zouden hebben gemaakt.

4.5.2.

Uit het door appellant op 31 mei 2013 ingevulde formulier gezamenlijke huishouding en zijn verklaring tijdens het huisbezoek op 9 juli 2013 volgt dat appellanten ’s avonds samen de maaltijd gebruiken en dat zij allebei koken. In zijn reactie op het verslag van het huisbezoek bevestigt appellant dat hij soms een hapje met appellante eet. Tijdens de hoorzitting heeft appellant eveneens verklaard dat hij regelmatig kookt. Ook heeft appellant verklaard en tijdens de hoorzitting bevestigd dat hij vaak de boodschappen haalt, deze hoofdzakelijk betaalt en dat de boodschappen soms ook door appellante worden betaald. Verder heeft appellant op het formulier gezamenlijke huishouding en tijdens het huisbezoek verklaard dat hij de dagelijkse huishoudelijke werkzaamheden doet en appellanten daarnaast wekelijks huishoudelijke hulp hebben. Indien nodig verzorgen appellanten elkaar bij ziekte. Appellant heeft zijn slaapkamer en kantoorruimte op de benedenverdieping, maar verder delen appellanten de gehele woning en maakt appellant ook gebruik van de woonkamer.

4.5.3.

Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat appellant op het door hem ingevulde formulier gezamenlijke huishouding en tijdens het huisbezoek heeft verklaard over een eerdere periode, te weten de periode dat appellante, nadat zij een rugwervel had gebroken, de nodige beperkingen ondervond en door hem werd bijgestaan. Uit de gedingstukken volgt dat appellante in 2011 een rugwervel heeft gebroken en dat appellanten in die periode ieder een eigen woning bewoonden. Het formulier gezamenlijke huishouding heeft appellant op

31 mei 2013 ingevuld en ondertekend en het huisbezoek heeft plaatsgevonden op 9 juli 2013, derhalve nadat appellant in de woning van appellante is komen wonen. In de door appellant afgelegde verklaringen zijn geen aanknopingspunten te vinden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij daarbij zou hebben gesproken over een eerdere periode. Uit 4.5.2 blijkt juist dat appellant concreet heeft verklaard over de actuele woon- en leefsituatie van appellanten in de woning van appellante. Daarbij komt dat appellant in de door hem naar aanleiding van het verslag van het huisbezoek opgestelde e-mailberichten en tijdens de hoorzitting zijn verklaringen over de actuele woon- en leefsituatie grotendeels heeft bevestigd.

4.5.4.

Vaststaat verder dat appellant een testament heeft opgemaakt, waarin hij appellante als begunstigde heeft aangemerkt. Ook dit duidt op zorg voor elkaar. De omstandigheid dat dit testament eerst na overlijden van appellant tot afwikkeling zou leiden, doet hieraan, anders dan appellant meent, niet af. Appellant heeft verklaard dat hij met het testament heeft willen bewerkstelligen dat appellante na zijn overlijden niet in de financiële problemen zal geraken. Dit bevestigt dat de begunstiging uit een overweging van zorg voor appellante heeft plaatsgevonden. Ook het opmaken van dit testament moet daarom worden aangeduid als een element van zorg en past niet bij een zuiver commerciële relatie.

4.5.5.

De stelling dat appellante regelmatig in het buitenland verblijft en daarom geen sprake zou kunnen zijn van wederzijdse zorg, treft geen doel, reeds omdat appellanten deze stelling ten aanzien van de te beoordelen periode niet hebben onderbouwd. Daarbij komt dat een verblijf buiten Nederland van zes weken, zoals uit de in hoger beroep overgelegde vluchtgegevens over 2014 blijkt, niet afdoet aan de in 4.5.1 tot en met 4.5.4 genoemde elementen van wederzijdse zorg.

4.6.

Uit de onder 4.5 genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat sprake is van een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie te boven gaan. De beroepsgrond dat sprake is van een zuiver commerciële huurdersrelatie, slaagt daarom niet. Dit betekent dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten vanaf maart 2013 een gezamenlijke huishouding voeren.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en G.M.G. Hink en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J.L. Meijer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD