Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
14/1144 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:157, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering: niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Onjuiste maatstaf arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1144 ZW

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 januari 2014, 13/3790 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was werkzaam als meewerkend voorman bakovens met een arbeidsomvang

van 40 uur per week. De in deze functie voorkomende zwaardere en rugbelastende werkzaamheden werden sinds 1990 overgenomen door collega’s of leerlingen. Na het faillissement van zijn werkgever heeft appellant betrokkene per 27 januari 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft betrokkene zich op 30 januari 2013 ziek gemeld in verband met een toename van klachten als gevolg van een likdoorn onder zijn voet. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft appellant bij besluit van 3 april 2013 bepaald dat betrokkene met ingang van

8 april 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij per die datum weer geschikt wordt geacht zijn eigen werk te doen. Bij besluit van 27 mei 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 april 2013 ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant overwogen dat de maatstaf arbeid in het geval van betrokkene is de meewerkend voorman operator (ovenist) exclusief het zware werk. Voor de onderbouwing van dat standpunt heeft appellant verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 mei 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Volgens de rechtbank wordt betrokkene wel geschikt geacht voor zijn laatst verrichte arbeid, maar staat niet vast dat hij geschikt is voor de oorspronkelijke, normale (lees: zware) functie-eisen. Dat verzwarende aspect mag naar het oordeel van de rechtbank niet buiten beschouwing blijven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de maatstaf voor de arbeid van betrokkene moet zijn de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor de arbeid. Het bestreden besluit is volgens de rechtbank dan ook in strijd met artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet (ZW).

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

6 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672), betoogd dat in het geval van betrokkene de bijzonder verlichtende aspecten van het laatst verrichte werk niet buiten beschouwing gelaten behoren te worden. Dit betekent dat als arbeidsmaatstaf moet worden aangemerkt de meewerkend voorman bakovens met uitsluiting van het door betrokkene bij zijn laatste werkgever niet gevergde zwaardere deel van het werk.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. In dit geval betreft het de functie van meewerkend voorman bakovens, zoals betrokkene die in ieder geval vanaf 1990 heeft vervuld.

4.2.

Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, welke bepaling bij Wet van

12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007, 553) is ingevoerd en met ingang van 1 januari 2008 in werking is getreden, is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen is het vijfde lid van artikel 19 van de ZW geschreven met het doel om voor vangnetters zonder werkgever het begrip “zijn arbeid” te verruimen door, in het geval sprake is van bijzondere aspecten van het werk welke een werkhervatting in de weg staan, deze buiten beschouwing te laten. Gelet op dit doel dienen alleen bijzondere verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk buiten beschouwing gelaten te worden. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BX9068, ECLI:NL:CRVB:2015:3260 en ECLI:NL:CRVB:2015:3214) dienen bijzondere verlichtende aspecten niet buiten beschouwing gelaten te worden. In het geval van betrokkene is dan ook, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de maatstaf arbeid die van meewerkend voorman bakovens voor 40 uur per week, waarbij de bijzondere verlichtende aspecten niet buiten beschouwing zijn gelaten.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank tot een onjuiste vaststelling van de maatstaf arbeid is gekomen, zodat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit beoordelen in het licht van de overige daartegen in (hoger) beroep aangedragen gronden, inhoudende onder meer dat betrokkene per 8 april 2013 niet arbeidsgeschikt is voor zijn arbeid. De Raad overweegt daarover als volgt.

4.5.1.

Uit onder meer de in het dossier aanwezige probleemverkenning en de functiebeschrijving van de functie ovenist, waarop betrokkene nog een schriftelijke toelichting heeft gegeven, blijkt dat de verzekeringsartsen, anders dan betrokkene stelt, een goed beeld hebben gehad van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden van de betrokkene. Van belang is tevens dat betrokkene diverse malen te kennen heeft gegeven dat hij in de uitvoering van zijn functie werd ontzien vanwege lang bestaande rugklachten, en dat de zwaardere, rugbelastende werkzaamheden werden overgenomen door collega’s of leerlingen.

4.5.2.

Er is geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, en er is onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de daaruit getrokken conclusies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier van betrokkene bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond, een zorgvuldig onderzoek gedaan naar de beperkingen van betrokkene, en bij zijn beoordeling betrokken de door betrokkene ingebrachte informatie van 10 juli 2012 van chiropractor A. Koentges. In het rapport van 23 mei 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze de medische beperkingen van betrokkene voldoende onderbouwd. Betrokkene heeft geen nieuwe medische informatie ingediend die grond oplevert voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.

Op grond van de voorhanden medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook terecht geconcludeerd dat betrokkene op 8 april 2013 in staat was tot het verrichten van zijn arbeid.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard. Dit brengt met zich dat het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

MK