Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4587

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
14/1414 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering voorschot op ZW-uitkering. (Het Uwv) is terecht opgekomen tegen de aangevallen uitspraak. Zoals uit de uitspraken van 17 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3051 en van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2787 blijkt, wordt geen ruimte gezien voor het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen onzekerheid van het ontslag en van de bezoldiging, voor zover het de toepasselijkheid van artikel 47a van de ZW betreft. Nu in dit geval het gegeven ontslag werd aangevochten en die procedure ten tijde van het bestreden besluit nog niet ten einde was gekomen, bestond er twijfel over de vraag of betrokkene recht had op bezoldiging en heeft appellant met toepassing van artikel 47a van de ZW terecht geweigerd betrokkene een voorschot op de ZW-uitkering te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1414 ZW

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

19 februari 2014, 13/1751 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J.H.S. Thomassen een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 30 april 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben op schriftelijke vragen van de Raad reacties ingezonden. Zij hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 18 april 2013 ( bestreden besluit ) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard tegen zijn besluit van 12 november 2012, waarbij is geweigerd betrokkene een voorschot te verstrekken op de aangevraagde uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) omdat betrokkene een hem als ambtenaar met ingang van 1 november 2012 gegeven ontslag heeft aangevochten en dus nog onzekerheid bestaat over zijn recht op bezoldiging per die datum.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Samengevat heeft de rechtbank overwogen dat, nu betrokkene uit zijn dienstbetrekking was ontslagen, er geen onzekerheid bestaat over het recht op bezoldiging. Die situatie moet volgens de rechtbank worden onderscheiden van het geval dat onzeker is of een dienstbetrekking is beëindigd of onzeker is of er uit hoofde van een bestaande dienstbetrekking recht op loon of bezoldiging is. Artikel 47a van de ZW is ten onrechte als grondslag voor het bestreden besluit gehanteerd.

3. In hoger beroep heeft appellant, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis van artikel 47a van de ZW en naar rechtspraak van de Raad, betoogd dat de rechtbank ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen onzekerheid over het voortbestaan van de arbeidsverhouding en de situatie waarin dat niet het geval is maar er wel onduidelijkheid is over het recht op bezoldiging. Volgens appellant is artikel 47a van de ZW ook van toepassing als er onduidelijkheid is als gevolg van procedures tegen het ontslag. Aan die onduidelijkheid komt pas een eind na afronding van de procedures over het ontslagbesluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Bij besluit van 9 juni 2015 heeft appellant aan betrokkene alsnog met ingang van

1 november 2012 een uitkering op grond van de ZW verstrekt, nadat betrokkene aan appellant had bericht dat de ontslagprocedure was geëindigd. Appellant heeft gesteld procesbelang bij een uitspraak te hebben behouden omdat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd.

4.1.2.

Geoordeeld wordt dat appellant procesbelang heeft bij het hoger beroep ter voorkoming dat met het vernietigde bestreden besluit de onrechtmatigheid daarvan gegeven is in een schadeprocedure.

4.2.

Appellant is terecht opgekomen tegen de aangevallen uitspraak. Zoals uit de uitspraken van 17 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3051 en van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2787 blijkt, wordt geen ruimte gezien voor het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen onzekerheid van het ontslag en van de bezoldiging, voor zover het de toepasselijkheid van artikel 47a van de ZW betreft. Nu in dit geval het gegeven ontslag werd aangevochten en die procedure ten tijde van het bestreden besluit nog niet ten einde was gekomen, bestond er twijfel over de vraag of betrokkene recht had op bezoldiging en heeft appellant met toepassing van artikel 47a van de ZW terecht geweigerd betrokkene een voorschot op de ZW-uitkering te verstrekken.

4.3.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit moet alsnog ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak

- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 18 april 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP