Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
14/267 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering ten onrechte geweigerd. 1) Verzekeringsplicht. Arbeidsrelatie tussen neef en nicht. Niet gebleken dat appellant zich vrijelijk aan zijn werkzaamheden kon onttrekken of dat het hem vrij stond het werk naar eigen inzicht te verrichten dan wel de omvang van het door hem verrichte werk te bepalen. Zo rustte op appellant de verplichting om in het kader van een gezagsverhouding gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. In de verhouding van appellant met [E.] is wel sprake geweest van een arbeidsovereenkomst zodat appellant op grond van de Wet WIA verplicht verzekerd was. 2) Geen sprake van voldoende en ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/267 WIA, 14/268 WIA

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

5 december 2013, 12/4419 en 12/4654 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft vanaf 10 november 2008 werkzaamheden verricht in de bruidsmodewinkel van zijn nicht [E.] ([E.]) op basis van twee tijdelijke overeenkomsten, waarvan de laatste eindigde op 31 maart 2010. Op 5 maart 2010 is appellant door ziekte voor die werkzaamheden uitgevallen. Met ingang van 31 maart 2010 heeft appellant een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet.

1.2.

Op 10 februari 2012 heeft appellant een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het Uwv de WIA-uitkering ontzegd onder de overweging dat appellant, toen hij begon te werken, al dezelfde gezondheidsklachten had als waardoor hij nu niet kan werken.

2.1.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 mei 2012. Bij beslissing op bezwaar van 31 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft de grondslag van het besluit van 29 mei 2012 gewijzigd en heeft zich primair op het standpunt gesteld dat appellant niet verplicht is verzekerd omdat de gezagsverhouding tussen hem en [E.] ontbreekt. [E.] is zijn nicht en volgens het Uwv is er geen sprake van een gezagsverhouding als de arbeidsverhouding wordt overheerst door de familieverhouding. Appellant is gevraagd om als oom, als mannelijk lid van de familie, bij zijn nicht in de winkel te komen om toezicht te houden. Appellant en [E.] wonen volgens het Uwv op hetzelfde adres, terwijl ook is gebleken dat appellant niet zelfstandig kan functioneren. Door de zorg van [E.] is een opname in een verpleeg- of verzorgingshuis niet nodig. Daarnaast is [E.] tot bewindvoerder benoemd als gevolg van de geestelijke toestand van appellant.

2.2.

Subsidiair heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellant bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was en dat deze arbeidsongeschiktheid volledig buiten aanmerking moet worden gelaten.

3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, dat beroep ongegrond verklaard.

3.1.

De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv, dat geen sprake was van een gezagsverhouding, onderschreven en daartoe dezelfde overwegingen gehanteerd als het Uwv. De rechtbank heeft daarnaast nog gewezen op een brief van de GG&GD van 5 april 2007 waaruit blijkt dat appellant op grond van zijn psychiatrische problematiek niet zelfstandig kan functioneren en aangewezen was op zorg van zijn nicht. In verband daarmee heeft de rechtbank ook gewezen op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep waarin staat vermeld dat sedert 2002 en daarom ook sedert de datum aanvang verzekering sprake is van een doorlopend onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op drie niveaus, waarbij appellant zich slechts met steun van zijn nicht op het eerste (micro)niveau kan handhaven.

3.2.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 juli 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN2339), overwogen dat voor het aannemen van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering nodig is dat de omstandigheden van het geval blijk geven van voldoende en ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan daarvan. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de conclusies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en de bevindingen van een psychiatrische instelling, geoordeeld dat die verlangde voldoende en ondubbelzinnige indicaties aanwezig zijn.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere gronden in bezwaar en beroep herhaald. Die gronden komen er op neer dat hij onder gezag meer dan anderhalf jaar werkzaamheden heeft verricht in de bruidsmodewinkel van [E.].

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1.

Het geschil betreft primair de vraag of appellant werknemer was in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet WIA. Hiertoe is vereist dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot een werkgever.

5.1.2.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

5.2.

Anders dan in het verleden neemt de Raad niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen neef en nicht in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding vanwege de familierelatie. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in een arbeidsrelatie tussen neef en nicht geen sprake zal zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2015:3634 voor de arbeidsrelatie tussen ouder en kind). De familierelatie is wel een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling zoals die hiervoor onder 5.1.2 is weergegeven.

5.3.1.

Appellant heeft twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met zijn nicht ingebracht waarin in de aanhef wordt verklaard dat appellant in dienst treedt als algemeen medewerker. Appellant heeft voor [E.] in haar winkel diverse werkzaamheden verricht, zoals opruimen, schoonmaken, stofzuigen, goederen halen en brengen en toezicht houden. Bij het uitvoeren van die werkzaamheden diende appellant de aanwijzingen van [E.] te volgen, bijvoorbeeld bij het wegbrengen van kleding. Dat [E.] bewindvoerder van appellant was, en dat appellant volgens het Uwv slechts onder begeleiding en met de juiste zorg van haar kon functioneren (op microniveau), doet er niet aan af dat hij gehouden was om overeenkomstig haar instructies en aanwijzingen zijn werkzaamheden te verrichten. Niet is gebleken dat appellant zich vrijelijk aan zijn werkzaamheden kon onttrekken of dat het hem vrij stond het werk naar eigen inzicht te verrichten dan wel de omvang van het door hem verrichte werk te bepalen. Zo rustte op appellant de verplichting om in het kader van een gezagsverhouding gedurende zekere tijd arbeid te verrichten

5.3.2.

De overige door het Uwv aangevoerde omstandigheden, waaronder de familierelatie, kunnen evenmin afdoen aan de onder 5.3.1 vastgestelde gezagsverhouding tussen [E.] en appellant. Over de door het Uwv gestelde samenwoning heeft de rechtbank al geoordeeld dat daarvan in de periode in geding geen sprake was. Nu daarvan geen sprake was, is in de gestelde samenwoning geen grond gelegen om aan te nemen dat geen sprake was van werkgeversgezag. Dat, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, door appellant geen inzicht is verstrekt in de loonbetalingen, betekent evenmin dat geen sprake zou zijn van werkgeversgezag.

5.3.3.

Niet in geschil is dat appellant arbeid heeft verricht en daarvoor loon heeft ontvangen. In dat verband wordt er voorts nog op gewezen dat ten aanzien van appellant in Suwinet wel een opgave is gedaan van het door hem verdiende loon en dat ten aanzien van hem wel premies zijn afgedragen.

5.4.

Uit wat is overwogen in 5.1 tot en met 5.3.3 volgt dat in de verhouding van appellant met [E.] wel sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst zodat appellant op grond van de Wet WIA verplicht verzekerd was. Het primaire standpunt van het Uwv en het daarover gegeven oordeel van de rechtbank is daarom onjuist.

5.5.1.

In het bestreden besluit stelt het Uwv zich subsidiair op het standpunt dat appellant bij de aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was en dat hij om die reden niet in aanmerking kan worden gebracht voor een WIA-uitkering. Voor de grondslag daarvan verwijst het Uwv naar artikel 43, onderdeel c, van de Wet WIA, zoals dat gold ten tijde in geding. Op grond van dat artikelonderdeel wordt volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA voor de toepassing van die wet als uitsluitingsgrond genoemd. In artikel 46, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet WIA is bepaald dat artikel 43, onderdeel c, van toepassing is indien er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering.

5.5.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld 5 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6628 en 18 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1013), is voor de toepassing van artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Verder wordt het begrip algehele arbeidsongeschiktheid niet uitsluitend bepaald door het medisch oordeel. Indien een verzekerde ondanks ziekte arbeid heeft verricht, moeten mede in aanmerking worden genomen factoren als aard van de arbeid, de wijze waarop die arbeid werd verricht en het tijdvak gedurende welke die arbeid werd verricht.

5.5.3.

In dit geval staat vast dat appellant de werkzaamheden van 10 november 2008 tot

5 maart 2010 heeft verricht, dus gedurende een periode van ongeveer zestien maanden. In die periode is geen sprake geweest van noemenswaardige uitval door ziekte of gebrek. Evenmin is gebleken dat appellant in die periode door ziekte of gebrek bijzondere problemen ondervond die in de weg stonden aan een goede uitoefening van de werkzaamheden. Niet is gebleken dat de werkgeefster ontevreden was over het functioneren van appellant. De problemen zijn eerst begonnen op het moment waarop appellant in contact moest treden met klanten. Die omgang bleek, gelet op zijn psychiatrische aandoening, problematisch.

5.6.

Gelet op de onder 5.5.2 weergegeven maatstaf betekent dit dat het subsidiaire standpunt van het Uwv en het daarop betrekking hebbende oordeel van de rechtbank eveneens onjuist zijn. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Voor het doen van een tussenuitspraak bestaat geen ruimte. Een opdracht aan het Uwv op grond van artikel 8:51d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip werknemer. Daarom zal worden bepaald dat het Uwv, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het bezwaar van appellant dient te beslissen.

5.7.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op de kosten van rechtsbijstand in bezwaar van € 980,-, de kosten van rechtsbijstand in beroep van € 980,- en de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep van

€ 980,-, in totaal dus € 2.940,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aanvallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

31 oktober 2012 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen het door het Uwv te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 mei 2009 slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

NK