Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/6705 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van door appellant verrichte werkzaamheden en daaruit genoten inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6705 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2014, 14/4644 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen met ingang van 24 juni 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een signaal uit Suwinet dat appellant inkomsten zou hebben genoten, heeft het college een onderzoek ingesteld naar door hem verrichte werkzaamheden en daaruit ontvangen inkomsten. In dit kader heeft het college bij appellanten gegevens opgevraagd, heeft dossieronderzoek en onderzoek op internet plaatsgevonden en hebben appellanten op 11 februari 2014 verklaringen afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van bevindingen van

7 maart 2014.

1.2.

Bij besluiten van 9 april 2014 en 29 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 24 juni 2013 tot en met 25 februari 2014 ingetrokken en de in die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.686,01 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van door appellant verrichte werkzaamheden en daaruit genoten inkomsten, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de periode van 24 juni 2013 tot en met 25 februari 2014 (te beoordelen periode) niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in is geschil dat appellant in de te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht als deejay en dat hij daaruit financiële vergoedingen heeft ontvangen.

4.2.

Gelet op 4.1 heeft het college de activiteiten van appellant terecht omschreven als op geld waardeerbare werkzaamheden. De omstandigheid dat het volgens appellanten slechts promotieactiviteiten betrof, maakt dit niet anders. Het had appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat die werkzaamheden en de daaruit genoten vergoedingen van invloed zouden kunnen zijn op het recht op bijstand en om die reden hadden moeten worden opgegeven aan het college. Nu zij dit niet hebben gedaan, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Die schending levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.3.

Appellanten zijn hierin niet geslaagd. De enkele stelling van appellanten dat appellant geen inkomen heeft genoten boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm is daartoe onvoldoende. Een deugdelijke en verifieerbare administratie van alle werkzaamheden van appellant in de te beoordelen periode ontbreekt. Hierdoor heeft het college geen inzicht verkregen in de omvang van de werkzaamheden en de hoogte van de daaruit ontvangen inkomsten. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellanten in de te beoordelen periode in aanmerking kwamen voor bijstand.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) S.W. Munneke

HD