Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
15/279 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsaanvraag buiten behandeling gelaten. Niet in geschil is dat appellante op 7 januari 2014 stukken heeft ingeleverd en dat zij daarvoor een handgeschreven ontvangstbevestiging heeft ontvangen. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij op die datum de opgevraagde stukken bij het college heeft ingeleverd. De ontvangstbevestiging maakt geen melding van de locatie waar de stukken zijn ingeleverd en evenmin van de instantie of de persoon die de stukken in ontvangst heeft genomen. Ook de hoeveelheid en de aard van de stukken, waarop de ontvangstbevestiging betrekking heeft is daarop niet vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/279 WWB

Datum uitspraak: 15 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 december 2014, 14/6901 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Orhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2015. Namens appellante is

mr. Orhan verschenen. Het college heeft zich, met bericht vooraf, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 18 november 2013 gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college bij brief van 18 november 2013 afschriften van de bank- en spaarrekeningen van de partner van appellante opgevraagd en haar meegedeeld dat zij die stukken uiterlijk op 21 februari 2014 moest inleveren. Daarbij heeft het college vermeld dat zij de stukken kon opsturen door middel van de bijvoegde retourenvelop.

1.3.

Op 7 januari 2014 heeft appellante documenten ingeleverd bij een balie op een adres aan de [adres] te [woonplaats] en daarvoor een ontvangstbevestiging ontvangen. Deze hield in een handgeschreven tekst “documenten ingeleverd” en was voorzien van een datumstempel.

1.4.

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat zij de gevraagde gegevens niet of niet volledig binnen de hersteltermijn heeft verstrekt.

1.5.

Bij besluit van 16 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, gericht tegen het besluit van 20 januari 2014, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij op 7 januari 2014 de ontbrekende stukken heeft ingeleverd, waarna zij een ontvangstbevestiging heeft ontvangen. In de ontvangstbevestiging had het college moeten vermelden welke stukken waren ingeleverd. Dat dit niet is geschied, kan appellante niet worden verweten en dient voor rekening van het college te komen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij in bezwaar de opgevraagde afschriften van de bank- en spaarrekeningen van haar partner opnieuw heeft ingeleverd. Deze stukken had het college mee moeten nemen in de besluitvorming. Door dit na te laten heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Het college heeft ontkend dat het de volgens appellante op 7 januari 2014 ingeleverde stukken, die het college ter aanvulling van de aanvraag had opgevraagd, heeft ontvangen.

4.3.

Aangezien het op de weg van appellante lag om alle stukken over te leggen die nodig waren voor een goede beoordeling van haar aanvraag en zij heeft gesteld dat zij dit heeft gedaan, lag het op haar weg om aannemelijk te maken dat zij de opgevraagde stukken tijdig heeft ingeleverd. De beroepsgrond dat de ontstane onduidelijkheid met betrekking tot de inlevering van de stukken op 7 januari 2014 voor rekening van het college dient te komen, slaagt dan ook niet.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante op 7 januari 2014 stukken heeft ingeleverd en dat zij daarvoor een handgeschreven ontvangstbevestiging heeft ontvangen. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij op die datum de opgevraagde stukken bij het college heeft ingeleverd. De ontvangstbevestiging maakt geen melding van de locatie waar de stukken zijn ingeleverd en evenmin van de instantie of de persoon die de stukken in ontvangst heeft genomen. Ook de hoeveelheid en de aard van de stukken, waarop de ontvangstbevestiging betrekking heeft is daarop niet vermeld. De keuze om de opgevraagde stukken persoonlijk op het adres aan de [adres] te [woonplaats] - naar de Raad begrijpt het adres van het UWV Werkbedrijf - in te leveren, in plaats van daartoe gebruik te maken van de bij de brief van

18 november 2013 gevoegde retourenvelop, komt voor rekening en risico van appellante. De beroepsgrond dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij de opgevraagde stukken tijdig heeft ingeleverd, slaagt daarom niet.

4.5.

De beroepsgrond dat het college de door appellante in bezwaar alsnog overgelegde stukken had moeten betrekken bij de beoordeling van haar aanvraag, slaagt evenmin. Ingevolge vaste rechtspraak (uitspraak van 13 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8580) brengt de aard en inhoud van het primaire besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand, met zich mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken. Appellante heeft aangevoerd dat het voor haar lastig was om de gevraagde gegevens tijdig over te leggen, doordat haar partner gedetineerd was. Zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het haar onmogelijk was tijdig aan het verzoek van het college te voldoen. Zij heeft voorts niet verzocht om verlenging van de gestelde termijn. Het college heeft dan ook terecht geen aanleiding aanwezig geacht om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

4.6.

Gelet op 4.1 tot en met 4.5 was het college bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Uit 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2015.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) P.C. de Wit

HD