Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/1706 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:839, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Geen bijzondere omstandigheden. Dat de hele nasleep van het faillissement van zijn bedrijf in combinatie met (de toename van) zijn psychische klachten voor appellant verwarring en onduidelijkheid meebracht over zijn rechten op een WW-uitkering, laat onverlet dat met de afwijzing van de WW-uitkering bij besluit 7 september 2012 duidelijkheid is verkregen over zijn recht op die uitkering. Op grond van het beleid van het dagelijks bestuur had appellant, als hij zich binnen zeven dagen na ontvangst van het besluit van 7 september 2012 had gemeld om bijstand aan te vragen, in aanmerking kunnen komen voor bijstand met ingang van de datum van de WW-aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1706 WWB

Datum uitspraak: 15 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 februari 2014, 13/2925 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het Regionaal participatiebedrijf Stroomopwaarts MVS (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur vanaf 1 februari 2015 de bevoegdheden in het kader van de, per 1 januari 2015 door de Participatiewet vervangen, Wet werk en bijstand (WWB) uit, die voorheen door het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder dagelijks bestuur tevens genoemd college verstaan.

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2015. Namens appellant is verschenen mr. De Jonge. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.J. de Wit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 15 november 2012 heeft appellant zich gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op 20 november 2012 heeft appellant de aanvraag ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 augustus 2012. Hij heeft daarbij vermeld dat hij per 1 augustus 2012 werkloos is geworden als gevolg van het faillissement van zijn bedrijf, de Stichting [naam Stichting] . De aanvraag die appellant heeft ingediend om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bij besluit van 7 september 2012 afgewezen. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 12 november 2012 ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft het dagelijks bestuur aan appellant bijstand ingevolge de WWB toegekend met ingang van 15 november 2012 en de aanvraag om bijstand over de periode van 1 augustus 2012 tot 14 november 2012 afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant zich niet eerder bij het Uwv heeft gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering gemaakt zou moeten worden op het uitgangspunt dat een uitkering niet eerder ingaat dan de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld bij het UWV Werkbedrijf om bijstand aan te vragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het uitgangspunt, dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI (Uwv) heeft plaatsgevonden, zou moeten worden afgeweken. Dat appellant eerst een WW-uitkering heeft aangevraagd en de beslissing daarover heeft afgewacht, is op zichzelf onvoldoende om zodanige omstandigheden aan te nemen. Dit geldt ook voor de aanvraag van de WIA-uitkering. Voor elke specifieke uitkering is in beginsel immers een afzonderlijke aanvraag vereist. Aan appellant kan worden tegengeworpen dat hij, nadat op de aanvraag om een WW-uitkering bij besluit van 7 september 2012 was beslist, zich niet onmiddellijk, maar eerst ruim twee maanden later (namelijk op 15 november 2012), tot het UWV Werkbedrijf heeft gewend voor het doen van een aanvraag om bijstand.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals onder 2 vermeld, die tot dit oordeel hebben geleid dat in dit geval niet is gebleken van zodanige, bijzondere omstandigheden.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep verder nog heeft aangevoerd, zoals tijdens de behandeling ter zitting nader is toegelicht, leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 4.1 bedoeld. Dat de hele nasleep van het faillissement van zijn bedrijf in combinatie met (de toename van) zijn psychische klachten voor appellant verwarring en onduidelijkheid meebracht over zijn rechten op een WW-uitkering, laat onverlet dat met de afwijzing van de WW-uitkering bij besluit 7 september 2012 duidelijkheid is verkregen over zijn recht op die uitkering. Op grond van het beleid van het dagelijks bestuur had appellant, als hij zich binnen zeven dagen na ontvangst van het besluit van

7 september 2012 had gemeld om bijstand aan te vragen, in aanmerking kunnen komen voor bijstand met ingang van de datum van de WW-aanvraag. Met betrekking tot de gestelde psychische klachten heeft appellant niet, bijvoorbeeld met een verklaring van een arts, aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om eerder dan 15 november 2012 een aanvraag om bijstand in te dienen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten of toewijzing van schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2015.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C. Moustaïne

HD