Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
14/2512 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling en intrekking WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Uit de vermelde rapporten van verzekeringsarts Kruithof, het uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek en de informatie van de behandelende artsen is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten ... genoegzaam toegelicht dat appellants vermoeidheidsklachten dan wel slechte conditie bij de bestaande hartklachten volgens de cardiologen niet te objectiveren waren. Er is daarom geen reden om verdergaande duurbeperkingen dan wel een urenbeperking aan te nemen. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 30 november 2015

14/2512 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 maart 2014, 13/1771 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. A. van den Os. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als financieel adviseur gedurende 33,24 uur per week. Op 31 mei 2007 is hij uitgevallen voor zijn werkzaamheden wegens hart- en oogklachten. Bij besluit van 16 april 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 mei 2009 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering in verband met Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 100%. Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het Uwv aansluitend op de loongerelateerde uitkering met ingang van

28 juni 2012 een loonaanvullingsuitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 januari 2013 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 26 maart 2013 minder dan 35% was, waardoor per die datum geen recht meer bestond op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 20 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Kort samengevat komen deze gronden op het volgende neer. Hij acht het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is geen of onvoldoende rekening gehouden met zijn gezondheidstoestand. Appellant lijdt sinds het najaar van 2012 aan toegenomen vermoeidheidsklachten als gevolg van bestaande hartklachten. Dit is niet meegewogen in de besluitvorming die heeft geleid tot het bestreden besluit. Voorts lijdt appellant aan ernstige oogklachten en een verminderd gehoor. Appellant is voorts niet in staat de ter bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid door het Uwv geselecteerde functies te vervullen. De belasting van die functies gaat appellants belastbaarheid te boven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij rapporten overgelegd van 4 december 2014 en 20 april 2015 van verzekeringsarts/medisch adviseur mr. G.J. Kruithof, alsmede informatie van zijn huisarts, de oogarts, cardiologen, de sportarts en een in 2014 uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek. Uit deze rapporten en informatie wordt volgens appellant duidelijk dat zijn gezondheidsklachten van een dusdanige intensiteit zijn dat appellant niet in staat is die functies voltijds te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad acht de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen juist.

4.2.

Voor zover de gronden van appellant betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 24 april 2013/27 mei 2013. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op appellants gezondheidstoestand. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, vormt, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geen reden om het onderzoek van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig te achten.

4.3.

Appellant beschikt volgens het Uwv over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hij wordt echter in staat geacht om fysiek en psychisch licht werk te doen, waarbij spanning dient te worden vermeden. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geaccordeerde FML zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen en dynamische handelingen.

4.4.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert niet juist is, heeft appellant geen onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Uit de vermelde rapporten van verzekeringsarts Kruithof, het uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek en de informatie van de behandelende artsen is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 1 november 2013 en van 13 maart 2015 genoegzaam toegelicht dat appellants vermoeidheidsklachten dan wel slechte conditie bij de bestaande hartklachten volgens de cardiologen niet te objectiveren waren. Er is daarom geen reden om verdergaande duurbeperkingen dan wel een urenbeperking aan te nemen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellant in voldoende mate beperkt wordt geacht op fysiek zware arbeid zodat, anders dan Kruithof aanneemt, geen aanleiding bestaat om diverse beperkingen op dynamische handelingen en statische houdingen aan te nemen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 24 april 2013/27 mei 2013, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts van

27 november 2012, toegelicht dat appellants oogklachten redelijk stabiel zijn en regelmatig kort voorkomen zodat, ook hier geen sprake is van verdergaande beperkingen. Ten slotte heeft Kruithof de aangenomen beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren onderschreven. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien het aldus onderbouwde oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv als onjuist of als ontoereikend gemotiveerd aan te merken.

4.5.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de ten aanzien van appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Gewezen wordt op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 juni 2013 en het rapport van 5 oktober 2015 dat ter beantwoording van de vraagstelling van de Raad van 21 september 2015 is uitgebracht. In deze rapporten wordt inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met zijn verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen. In zijn rapport van 5 oktober 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat met betrekking tot het dragen van een headset in de functies van schadecorrespondent (SBC-code 516080) en telefonist, receptionist (SBC-code 315120) niet in overwegende mate sprake is van telefoongebruik, zodat appellant voor zijn goede oor ook een gewoon telefoontoestel kan gebruiken en dat verschillende headsets bestaan al naar gelang de voorkeur van de gebruiker (inclusief geluidsbescherming). Uit de door appellant verstrekte informatie van zijn behandelaars is niet af te leiden dat twijfel gerechtvaardigd is aan het standpunt van de arbeidsdeskundigen. Echter, ook als aanvaard zou moeten worden dat deze twee functies ongeschikt zijn, dan resteren er, gelet op het besprokene ter zitting, nog voldoende functies om de schatting op te baseren en zou de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 26 maart 2013 nog steeds minder dan 35% zijn geweest.

4.6.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) V. van Rij

AP