Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
14/35 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8713, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde WIA-aanvraag: geen nieuwe feiten of omstandigheden. Nu het Uwv bij het thans bestreden besluit heeft verzuimd te beoordelen of appellant rechten ontleent aan artikel 55 van de Wet WIA is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Instandlating rechtsgevolgen. Geen overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 30 november 2015

14/35 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 november 2013, 13/3109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.M. Pessers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uvw heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op een vraagstelling van de Raad gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.M. Pessers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk gedurende 20 uur per week werkzaam als productiemedewerker in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Op 2 september 2009 heeft hij zich ziek gemeld. Bij besluit van 19 januari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 31 augustus 2011 geen uitkering op grond van de Wet inkomensondersteuning naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan krijgen omdat hij het werk dat hij deed voordat hij ziek werd weer kan doen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Appellant heeft op 14 december 2012 wederom een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 19 december 2012 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. Op 24 december 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft bij beslissing van 18 april 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de intrekking van de

WSW-indicatie aanleiding moet zijn voor het toekennen van een WIA-uitkering nu er voor hem geen geschikte functies kunnen worden geselecteerd. Ter zitting heeft appellant gesteld dat de procedure wel erg lang duurt.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

3.3.

Desgevraagd heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 16 juni 2015 gesteld dat er geen sprake is van een wijziging in de belastbaarheid ten opzichte van de belastbaarheid per 14 december 2012.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015

(ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking

worden beoordeeld. De aanvraag van appellant moet, mede gelet op het onderhoud van appellant met de verzekeringsarts op 19 maart 2013, niet alleen worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag, die ziet op de in het besluit van 19 januari 2012 genoemde datum

31 augustus 2011, maar ook als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat hetgeen appellant heeft vermeld bij zijn aanvraag van 14 december 2012 en naar voren heeft gebracht in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.3.

Gezien het onder 4.1 overwogene, kan in deze zaak echter niet worden volstaan met de beantwoording van de vraag of appellant (tijdig) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. Nu het Uwv bij het thans bestreden besluit heeft verzuimd te beoordelen of appellant rechten ontleent aan artikel 55 van de Wet WIA is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Bezien zal worden of onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.

4.4.

Het Uwv heeft bij brief van 18 juni 2015, onder verwijzing naar het gestelde in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juni 2015, op goede gronden uiteengezet dat er geen sprake is van een wijziging in de belastbaarheid van appellant ten opzichte van de belastbaarheid per einde wachttijd. Appellant heeft geen medische gegevens in geding gebracht die aanleiding geven voor twijfel aan het gestelde in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juni 2015. Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 12 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8792) wordt bij een beoordeling op grond van artikel 55, eerste lid, onder b van de Wet WIA aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet toegekomen als geen sprake is van een toename van medische beperkingen.

4.5.

Verder moet worden vastgesteld dat het Uwv de aanvraag van appellant niet heeft beoordeeld als herzieningsverzoek voor de periode na de aanvraag. Er zijn echter voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen. De door appellant uiterlijk in de bezwaarfase ingezonden informatie bevat geen gegevens die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, konden bijdragen aan het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend.

4.6.

Dit leidt tot de conclusie dat de aanvraag van appellant ook met betrekking tot de onder 4.3 en 4.5 genoemde aspecten die niet door het Uwv beoordeeld zijn, afgewezen had moeten worden. Het bestreden besluit kan daarom in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van de gronden, bevestigd.

4.7.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt afgewezen. De termijn is aangevangen op 2 januari 2013, de dag waarop het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2012 heeft ontvangen. Op 30 november 2015 wordt in hoger beroep uitspraak gedaan, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) V. van Rij

AP