Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
14/3758 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij. Sanctie en terugvordering WIA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3758 WIA

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland
van 22 mei 2014, 13/3409 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.B.M. Swart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op verzoek de ontnemingsbeschikking toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/1376 WIA plaatsgehad op 30 oktober 2015. Namens appellant is verschenen mr. Swart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 19 december 2008 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 23 maart 2010 is door de politie in een door appellant gehuurd bedrijfspand te [gemeente] een hennepkwekerij aangetroffen. Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2012 is appellant veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt in voornoemd bedrijfspand gedurende de periode

1 september 2009 tot en met 24 maart 2010 en is ter ontneming van het door appellant in verband met de hennepteelt verkregen wederrechtelijk voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van € 3.200,- te betalen.

1.2.

Het Uwv heeft mede op basis van de bevindingen tijdens het politieonderzoek een onderzoek ingesteld waarin de rechtmatigheid van de uitkering van appellant is bezien. Op basis van de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in het rapport werknemersfraude van 30 augustus 2012, heeft verweerder geconcludeerd dat appellant in de periode 1 september 2009 tot en met 23 maart 2010 inkomsten heeft genoten uit de hennepkwekerij, die hij niet aan het Uwv heeft gemeld.

1.3.

Bij besluiten van 31 augustus 2012 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over de periode 1 september 2009 tot en met 1 maart 2010 herzien en het ten onrechte te veel uitgekeerde bedrag van € 15.218,29 van appellant teruggevorderd. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 27 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat appellant betrokken is geweest bij de hennepkwekerij. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat appellant het bedrijfspand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, heeft gehuurd en dat appellant door de politierechter bij vonnis is veroordeeld voor de medeplichtigheid aan het opzettelijk bewerken en/of verwerken van hennep in de periode

1 september 2009 tot en met 24 maart 2010. Met de enkele stelling van appellant dat hij het pand heeft verhuurd aan een zekere [naam 1] , heeft hij niet met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat hij de kwekerij niet heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Dit geldt ook ten aanzien van het eerst in beroep naar voren gebrachte standpunt dat hij het pand vanaf

1 januari 2010 heeft onderverhuurd aan [naam 2] , onderbouwd met een door appellant opgestelde brief met deze strekking gericht aan de verhuurder. Appellant heeft immers deze naam niet eerder genoemd, noch bij het politieverhoor, dat enkele dagen na dagtekening van de betreffende brief heeft plaatsgevonden, noch in de bezwaarfase. Nu het Uwv niet van deze laatste naam op de hoogte was, lag het daarom al niet op zijn weg om nader onderzoek te doen naar deze mogelijk verantwoordelijke persoon, aldus de rechtbank.

2.2.

Appellant heeft door geen mededeling te doen aan het Uwv van zijn betrokkenheid bij hennepteelt en de daaruit genoten inkomsten, zijn inlichtingenplicht geschonden. Het Uwv heeft hierdoor de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag vastgesteld, zodat verweerder verplicht was de uitkering van appellant te herzien. De rechtbank oordeelt tevens dat het Uwv bij het bepalen van de inkomsten die appellant uit de hennepkwekerij heeft genoten aansluiting heeft mogen zoeken bij het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 augustus 2010 en dat aan appellant als een van de vier verdachten (een vierde deel van de totale opbrengst) en onder aftrek van kosten een bedrag van € 40.266,09 aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden toegerekend. De stelling van appellant dat de ten laste van hem komende kosten van dit bedrag moet worden afgetrokken, slaagt reeds niet nu appellant geen enkele onderbouwing heeft overgelegd van deze kosten. Ook de omstandigheid dat de politierechter heeft uitgesproken dat appellant een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 3.200,- leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Raad en volstaat met de opmerking dat in een strafrechtelijke procedure aan de rechter niet alleen een andere vraag ter beantwoording voor wordt gelegd, maar dat bovendien een aanmerkelijk verschil bestaat tussen de vereisten waaraan het bewijs in strafzaken moet voldoen en de vereisten voor het bewijs in een bestuursrechtelijke procedure. De rechtbank oordeelt dat het Uwv rekening moest houden met appellant zijn inkomsten uit hennepteelt. Hieruit volgt dat de WIA-uitkering onverschuldigd aan appellant is betaald en het Uwv terecht de uitkering heeft teruggevorderd nu van een dringende reden om van terugvordering af te zien niet is gebleken. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het Uwv, hoewel de aanleiding van het onderzoek weliswaar strafrechtelijk was, slechts een rechtmatigheidsonderzoek heeft verricht en volgens vaste rechtspraak bij een dergelijk onderzoek geen aanleiding is om aan de belanghebbende bescherming en waarborgen te bieden die aan een verdachte in strafrechtelijke zin toekomen.

3. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat het Uwv onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de rol en de betrokkenheid van appellant bij de exploitatie van de hennepkwekerij. Voorts voert appellant aan dat er geen sprake is geweest van arbeid en evenmin van inkomsten uit arbeid, zodat niet kan worden gesteld dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het Uwv heeft bij het bepalen van de inkomsten ten onrechte aansluiting gezocht bij het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. De politierechter heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 3.200,-, wat een sterke aanwijzing vormt dat appellant niet meer inkomsten heeft verworven. Van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijnerzijds dient de schade die is toegebracht aan het bedrijfspand waarvoor appellant wordt aangesproken en energiekosten die op appellant worden verhaald in mindering te worden gebracht. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een criminal charge in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aangezien er sprake is van een sterke samenhang tussen de bestuursrechtelijke kwestie en de strafrechtelijke kwestie, dient ook in het kader van de terugvordering, die volledig voortvloeit uit de strafrechtelijke zaak, sprake te zijn van de bescherming die artikel 6 EVRM de verdachte biedt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en maakt die tot de zijne. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voegt de Raad mede onder verwijzing naar wat in zijn uitspraak van heden onder zaaknummer 13/1376 is overwogen het volgende hieraan toe.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op basis van de onderzoeksbevindingen voldoende is komen vast te staan dat appellant in de periode 1 september 2009 tot en met

1 maart 2010 inkomsten heeft gehad uit de hennepkwekerij en dat het Uwv bij het bepalen van de hoogte van deze inkomsten aansluiting heeft mogen zoeken bij het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 augustus 2010. Het feit dat de politierechter bij de ontnemingsbeschikking aan appellant de verplichting heeft opgelegd slechts een bedrag van

€ 3.200,- te betalen, doet hieraan niet af. De Raad merkt hierbij in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank op dat een door de strafrechter uitgesproken ontnemingsvordering niet in de weg staat aan een terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering (zie onder meer de uitspraak van 3 november 2010 ECLI:NL:CRVB:2010:BO2859). De door appellant gestelde schade is evenmin in hoger beroep met gegevens onderbouwd, zodat ook te dien aanzien de rechtbank wordt gevolgd dat reeds hierom de stelling van appellant dat deze schade van de aan hem ten laste komende kosten moet worden afgetrokken, niet slaagt.

4.3.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het beroep op de waarborgen in het kader van artikel 6 van het EVRM niet slaagt, omdat dit artikel van toepassing is op een procedure waarin, anders dan in deze zaak, een punitieve sanctie aan de orde is. Dat het Uwv gebruik heeft gemaakt van processen-verbaal uit de strafzaak, maakt het karakter van de opgelegde sanctie niet anders.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het Uwv, op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA gehouden was de over de periode van 1 september 2009 tot en met 1 maart 2010 onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant terug te vorderen.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H. van Leeuwen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.R. van Ravenstein

UM