Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
14/3310 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:3732, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling aflossingscapaciteit. Zoals de rechtbank al heeft overwogen hebben de medische kosten geen invloed op de vaststelling van de aflossingscapaciteit. Deze behoren tot de normale bestaanskosten, waarmee bij de berekening van de aflossingscapaciteit geen rekening wordt gehouden. Daarbij wordt aangetekend dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft gesteld dat onder omstandigheden bij de invordering rekening zou kunnen worden gehouden met bijzondere ziektekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3310 WW

Datum uitspraak: 3 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2014, 13/7077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. J-L van Os, advocaat, aanvullende gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2015. Appellant is - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 12 juli 2013 heeft het Uwv appellant bericht dat hij nog een bedrag van € 2.542,79 moet betalen en zijn aflossingscapaciteit vastgesteld op € 51,44 per maand. Het Uwv heeft bepaald dat appellant dit bedrag van € 51,44 met ingang van 12 augustus 2013 iedere maand dient over te maken. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het Uwv bepaald dat appellant het openstaande bedrag in een keer moet betalen, omdat appellant zich niet aan de betalingsregeling heeft gehouden.

1.3.

Bij besluit van 6 november 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2013 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is de aflossingscapaciteit niet te hoog vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 12 februari 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de hoogte van het terugvorderingsbedrag in rechte vaststaat en dus niet in geding is, waardoor de hiertegen gerichte beroepsgronden van appellant buiten beschouwing zullen moeten blijven. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant heeft berekend aan de hand van appellants inkomsten en de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van dit artikel wordt bij de berekening van de beslagvrije voet rekening gehouden met factoren als woonlasten, schulden en de premie van de ziektekostenverzekering. Daarbij is het Uwv uitgegaan van de opgave inkomens- en vermogensonderzoek, zoals door appellant ingediend op 12 juli 2013. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv rekening gehouden met alle voor de berekening van de aflossingscapaciteit relevante gegevens. Daarbij geldt dat medische kosten geen invloed hebben op de vaststelling van de aflossingscapaciteit. Het is de rechtbank niet gebleken dat door het Uwv bij de berekening van de aflossingscapaciteit is uitgegaan van onjuiste bedragen. Nu bepaalde inkomensbestanddelen in het voordeel van appellant niet in de berekening zijn betrokken, is de aflossingscapaciteit volgens de rechtbank eerder te laag vastgesteld. Het Uwv heeft de aflossingscapaciteit van appellant terecht op € 51,44 per maand vastgesteld. Nu vaststaat dat appellant zich niet aan de betalingsregeling heeft gehouden, wat ook niet door appellant is betwist – heeft het Uwv conform de Beleidsregel terug- en invordering op juiste gronden deze betalingsregeling laten vervallen en de vordering geheel opeisbaar geacht.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit de juiste bedragen heeft gehanteerd. Appellant heeft aanzienlijke medische kosten, die niet (meer) door de zorgverzekeraar worden vergoed. Deze kosten moeten volgens hem worden meegenomen bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit, nu deze zijn financiële huishouding zeer zwaar belasten. Hoewel daarvoor (mogelijk) geen wettelijke grondslag bestaat meent appellant dat deze op grond van de redelijkheid en billijkheid toch moeten meetellen bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit. Hij moet immers nog voldoende middelen van bestaan overhouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dit oordeel hebben geleid. De in hoger beroep aangevoerde gronden zijn dezelfde als die in beroep zijn aangevoerd en geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Zoals de rechtbank al heeft overwogen hebben de medische kosten geen invloed op de vaststelling van de aflossingscapaciteit. Deze behoren tot de normale bestaanskosten, waarmee bij de berekening van de aflossingscapaciteit geen rekening wordt gehouden. Daarbij wordt aangetekend dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft gesteld dat onder omstandigheden bij de invordering rekening zou kunnen worden gehouden met bijzondere ziektekosten. Dat sprake zou zijn van aanzienlijke medische kosten die niet door de zorgverzekeraar worden vergoed, heeft appellant echter niet onderbouwd.

4.2.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.3. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2015.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) L.H.J. van Haarlem

TM