Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
14/1444 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1444 WIA

Datum uitspraak: 14 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 februari 2014, 13/6316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2015. Voor appellante is verschenen mr. A.C.A. Dennissen-Wit, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was voor ongeveer 25 uur per week werkzaam als groepshulp kinderopvang. Appellante heeft zich op 10 januari 2011 ziek gemeld met gewrichtsklachten en later ook psychische klachten.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 7 januari 2013 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA) omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 28 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Zij acht zich meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Met name aan de psychische klachten is door het Uwv onvoldoende aandacht geschonken. Zij is niet in staat om zich gedurende 30 minuten achtereen te concentreren, zij is ook beperkt in haar handelingstempo. Ook door haar rugklachten is zij meer beperkt dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) tot uitdrukking komt. Ten onrechte is geen urenbeperking in aanmerking genomen. De geselecteerde functies overschrijden haar belastbaarheid op meerdere punten en de functie wikkelaar is ten onrechte geselecteerd omdat deze functie wisselende diensten kent. Zij heeft ter ondersteuning van haar standpunt verwezen naar de brieven van 26 mei 2014 en van 19 oktober 2015 van drs. M.E. Yaktemur, psychiater, psycholoog.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De beoordeling van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

De Raad acht het oordeel van de rechtbank, haar beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen juist.

4.2.

Voor zover de gronden van appellante betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 15 augustus 2013. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op zowel de fysieke als psychische gezondheidstoestand van appellante. Bij de vaststelling van de beperkingen van appellante is de informatie van de behandeld psychiater betrokken.

4.3.

Ook de in hoger beroep ingediende informatie van 26 mei 2014 en van 19 oktober 2015 van Yaktemur, bij wie appellante sinds 28 februari 2014 in behandeling is, geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling door het Uwv omdat deze informatie niet is gericht op de situatie van appellante rond 7 januari 2013, zijnde de datum in geding, en evenmin aanknopingspunten biedt om een ernstiger medische situatie op de datum in geding aan te nemen dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

4.4.

Met betrekking tot de door appellante geclaimde urenbeperking oordeelt de Raad dat, gelet op de motivering in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding bestaat om, naast de reeds aangenomen beperkingen, een urenbeperking aan te nemen en dat ook uit de door appellante overgelegde medische informatie de noodzaak daartoe niet kan worden geconcludeerd.

4.5.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de voor appellante geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, zoals weergegeven in de rapporten van 27 augustus 2013 en 10 februari 2014. In die rapporten wordt inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellante werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met haar verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.6.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

14 december 2015.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP