Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
14/3504 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na herbeoordeling WIA-uitkering blijft appellante ingedeeld in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3504 WIA

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2014, 14/144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verbraaken-Vooys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als senior IT-professional. In augustus 2009 is zij uitgevallen met energetische klachten.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 24 januari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 8 september 2011 recht heeft op een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het arbeidsongeschiktheidspercentage is bepaald op 60,95%, in de klasse 65 tot 80%.

1.3.

Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling van appellante heeft het Uwv bij besluit van 17 juni 2013 bepaald dat appellante per 14 juni 2013 74,2% arbeidsongeschikt is en ingedeeld blijft in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. Het door appellante tegen het besluit van 17 juni 2013 gemaakte bezwaar is, met verwijzing naar een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, ongegrond verklaard bij besluit van 29 november 2013 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts na een lichamelijk en psychisch onderzoek van appellante, dossierstudie en bestudering van informatie uit de behandelend sector een normaal dagritme van appellante beschrijft. Hij acht appellante belastbaar voor 6 uur per dag/30 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep die appellante op het spreekuur heeft gezien neemt geen evidente verschijnselen van vermoeidheid waar. Hij heeft uiteengezet dat hij geen aanleiding ziet het puntensysteem van de behandelaars van het Vermoeidheidscentrum te volgen en hij heeft aangegeven waarom hij beperking van de activiteiten tot twee uur per dag niet plausibel acht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden om het medisch oordeel voor onjuist te houden. De rechtbank heeft verwezen naar de in beroep ingebrachte reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die als zijn oordeel te kennen geeft dat door appellante geen informatie is overgelegd waaruit blijkt dat zij verdergaande beperkingen heeft dan reeds aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij gemotiveerd dat het verzekeringsgeneeskundig protocol CVS en de Standaard Verminderde Arbeidsduur op juiste wijze zijn gevolgd bij de beoordeling en dat met de beperking van de belastbaarheid tot

6 uur per dag voldoende recht wordt gedaan aan de vermoeidheidsklachten van appellante. Het protocol CVS sluit niet aan bij het door appellante gehanteerde puntensysteem. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

3.1.

Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Haar beroepsgronden zijn in essentie een herhaling van hetgeen zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Met de uitspraak van de rechtbank wordt onvoldoende recht gedaan aan de persisterende invaliderende vermoeidheid waaronder appellante lijdt en er is sprake van een evidente stoornis in de biologische klok van appellante, waardoor de urenbeperking niet voldoet. Appellante beroept zich wederom op de door haar reeds ondergane behandeling.

3.2.

Appellante heeft in hoger beroep een brief ingebracht van de cardioloog F.C. Visser van

5 augustus 2015. Visser concludeert in zijn brief, nadat hij een fietsergometrisch onderzoek heeft verricht bij appellante, tot een postinspanningsmalaise waardoor uitbreiding van de arbeid niet haalbaar lijkt.

3.3.

Het Uwv heeft zich beroepen op het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 september 2015 en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. De verzekeringsartsen hebben inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd waarom het dagritme van appellante als normaal wordt bestempeld en waarom het puntensysteem van de behandelaars van het Vermoeidheidscentrum niet wordt gevolgd. Er is geen medische informatie die aanleiding geeft tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De brief van cardioloog Visser van 5 augustus 2015 leidt niet tot een ander oordeel nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nader rapport van 10 september 2015 overtuigend heeft uiteengezet dat de inspanning bij een fietsproef niet vergeleken kan worden met arbeid die wordt verricht binnen de kaders van de voor appellante door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen. De Raad kan zich vinden in de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat post inspanningsmalaise niet te verwachten is indien appellante werkzaamheden verricht die geen overschrijding meebrengen van de voor haar vastgestelde beperkingen.

4.2.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM