Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
13/6008 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van premiebesluit 2005: geen nieuwe feiten en omstandigheden. Vergelijking administratie met (niet eerder opgevraagde) WAO-instroomlijsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 6008 ALGEM

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

30 september 2013, 12/2069 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Voor appellante zijn verschenen V.D. de Zwart, R.A.M. Sturkenboom en mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Na de behandeling van de zaak is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 september 2015. Voor appellante zijn verschenen De Zwart, Sturkenboom en mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.R.H. Min.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij brief van 19 december 2011 heeft appellante het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 5 januari 2005 tot vaststelling van de gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over het jaar 2005 (premiebesluit 2005).

1.2.

Bij besluit van 22 december 2011, heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Hoewel het Uwv in voorkomende gevallen verzoeken tot herziening wel in behandeling heeft genomen indien aannemelijk was dat de werkgever niet eerder beschikte over de overzichten met toegerekende WAO uitkeringen, is daarvan in dit geval geen sprake omdat aan appellante bij de primaire beschikkingen de WAO-instroomlijsten zijn toegezonden.

1.3.

Bij besluit van 11 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 december 2011 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv levert hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op. Bij het ontbreken van de instroomlijst bij het premiebesluit 2005 had het op de weg van appellante gelegen om het Uwv daar alsnog om te verzoeken. Het feit dat appellante dat heeft nagelaten en dat zij is uitgegaan van de juistheid van de berekening van het Uwv komt voor haar rekening. Het Uwv verwijst naar een uitspraak van de Raad van 3 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM8065).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante haar argument dat over 2005 ten onrechte een aantal personen tot last van appellante gerekend zijn, ook reeds tegen het premiebesluit 2005 naar voren had kunnen brengen. Of het Uwv bij dat besluit al dan niet de instroomlijsten heeft meegezonden, is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden niet van belang. Dat het premiebesluit 2005 en de daarbij behorende instroomlijst als gevolg van het tijdsverloop door het Uwv niet meer te achterhalen zijn, leidt niet tot een ander oordeel omdat ook in het geval het Uwv op basis van zijn beleid overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van een herzieningsverzoek, de beoordeling door de rechter zich in beginsel dient te beperken tot de vraag of sprake is van feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb en of het Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden de oorspronkelijke beslissing te herzien.

3. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante aangevoerd dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de instroomlijst niet is meegezonden met het premiebesluit 2005. Appellante heeft voor de onderbouwing van deze aanname verwezen naar de inhoud van het bestreden besluit en naar het gegeven dat het Uwv het oorspronkelijke besluit en de daarbij beweerdelijk gevoegde instroomlijst in zijn administratie niet meer heeft kunnen achterhalen. Gelet op het door het Uwv gevoerde beleid levert het gegeven dat de instroomlijst niet is meegezonden een nieuw feit op als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv moet zijn beleid toepassen en het oorspronkelijke besluit alsnog herbeoordelen (het herzieningsverzoek alsnog inhoudelijk beoordelen). De rechtbank heeft haar oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden niet voldoende gemotiveerd. Appellante handhaaft haar beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank heeft het betoog van het Uwv overgenomen dat sprake was van een fout in de door appellante ter onderbouwing van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel aangedragen gevallen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het betreft hier een verzoek om terug te komen van het premiebesluit 2005 dat in rechte onaantastbaar is geworden omdat appellante er destijds geen rechtsmiddelen tegen heeft ingesteld. In het licht van het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb is de indiener van verzoeken zoals hier aan de orde gehouden nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, bij gebreke waarvan het betrokken bestuursorgaan de verzoeken zonder meer kan afwijzen onder verwijzing naar zijn oorspronkelijke besluiten. Het geschil betreft dus primair de vraag of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.2.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat appellante ten tijde van het oorspronkelijk premiebesluit de daaraan ten grondslag liggende stukken niet heeft opgevraagd - en in die besluiten heeft berust - omdat zij erop vertrouwde dat de administratie van het Uwv in orde zou zijn. Pas later heeft appellante aanleiding gevonden om alsnog WAO-instroomlijsten bij het Uwv op te vragen, de daarin voorkomende gegevens met haar eigen administratie te vergelijken en op grond van die vergelijking de onderhavige verzoeken in te dienen.

4.3.

In zijn uitspraak van 3 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM8065) heeft de Raad overwogen dat hij “geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv de instroomlijsten uit eigen beweging aan appellante had moeten toezenden of eerder niet bereid zou zijn geweest om deze lijsten op verzoek aan appellante ter beschikking te stellen. Bij de instroomlijsten en de daartegen ingebrachte gegevens gaat het dus om feiten en omstandigheden die appellante redelijkerwijs reeds in een procedure tegen de oorspronkelijke premiebesluiten had kunnen aanvoeren. Dat zij daarvan toen heeft afgezien, komt voor haar eigen risico. Dit betekent dat van nova in de hier bedoelde zin geen sprake is.”

4.4.

De Raad heeft in deze zaak, evenals in de zaak die heeft geleid tot zijn onder 4.3 vermelde uitspraak, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de instroomlijsten uit eigen beweging aan appellante had moeten toezenden of dat het Uwv eerder niet bereid zou zijn geweest om deze lijsten op verzoek aan appellante ter beschikking te stellen. Appellante had de instroomlijsten en de daartegen ingebrachte gegevens redelijkerwijs reeds in een procedure tegen het oorspronkelijke premiebesluit kunnen aanvoeren. Dat zij daarvan toen heeft afgezien, komt voor haar risico. Dit betekent dat van nova in de hier bedoelde zin geen sprake is. De grond slaagt niet.

4.5.

Voor zover appellante met haar stelling dat het Uwv in voorkomende gevallen wel aanleiding heeft gevonden om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om besluiten te herzien bij instellingen die waren aangesloten bij dezelfde bedrijfsvereniging als appellante of haar rechtsvoorganger heeft willen betogen dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat het bestuursorgaan gehouden is gemaakte fouten te herhalen. Wat door appellante is aangevoerd ter onderbouwing van haar betoog dat de rechtbank te gemakkelijk het Uwv heeft gevolgd in zijn betoog dat hij het beleid onjuist heeft toegepast in de door appellante opgeworpen gevallen, overtuigt in dit verband niet.

4.6.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door als R.E. Bakker voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM