Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
13-12-2015
Zaaknummer
14/3781 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Plichtsverzuim dat bestaat uit dat betrokkene zich al jarenlang weinig coöperatief opstelt, de verzuimbegeleiding en re-integratie belemmert en tegenwerkt, heeft verzuimd op het opgedragen tijdstip zijn werk te hervatten, bij herhaling zijn leidinggevenden niet accepteert in hun functionele rol en in de rol van casemanager en niet met hen in gesprek wil gaan, en in 2011 heeft geweigerd om mee te werken aan aanvullend onderzoek om zijn beperkingen te kunnen aangeven en te kunnen adviseren over de re-integratie. De Raad is van oordeel dat deze gedragingen bewezen zijn en als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. Niet gebleken dat het plichtsverzuim betrokkene niet kan worden aangerekend. De primaire ontslaggrond, het plichtsverzuim, houdt stand. Het hoger beroep van de minister slaagt. De Raad komt daarom niet meer toe aan het hoger beroep van betrokkene nu dat ziet op de subsidiaire ontslaggrond, de verstoorde verhoudingen dan wel een impasse. Dit betekent dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3781 AW, 14/3784 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

28 mei 2014, 14/580 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak: 10 december 2015

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. C.J.M. Waasdorp hoger beroep ingesteld.

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Betrokkene is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Kauffman, M. Meijer en

[naam casemanager] .

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van het volgende.

1.1.

Betrokkene was aangesteld bij het Shared Service Center [locatie] van de Dienst Justitiële Inrichtingen in de functie van [naam functie] . Hij heeft zich op 13 januari 2010 ziek gemeld. Tijdens zijn re-integratie heeft hij zich op 3 juli 2012 opnieuw ziek gemeld.

1.2.

Bij besluit van 7 september 2012 heeft de minister met toepassing van artikel 81, eerste lid, onder a en d, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) betrokkene een berisping gegeven en hem een boete van € 22,- opgelegd. Betrokkene is verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van het ARAR door geen gehoor te hebben gegeven aan de oproepen om in het kader van zijn re-integratie op 7 augustus 2012 en 10 augustus 2012 te verschijnen voor een gesprek met zijn leidinggevende en tevens casemanager [naam casemanager] en aldus ongeoorloofd afwezig te zijn geweest.

1.3.

Op 9 november 2012 is aan betrokkene een tweede dienstopdracht gegeven om zijn werkzaamheden te hervatten. Bij besluit van 14 november 2012 heeft de minister met toepassing van artikel 40a, eerste lid, onder p, van het ARAR de bezoldiging van betrokkene met onmiddellijke ingang stopgezet, omdat betrokkene niet had voldaan aan deze dienstopdracht.

1.4.

Na een op 8 januari 2013 uitgebracht voornemen heeft de minister bij besluit van 26 april 2013 verzoeker primair met toepassing van artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd en subsidiair met toepassing van artikel 99 van het ARAR wegens ernstig verstoorde verhoudingen dan wel een impasse ontslag verleend, zulks zonder aanvullende en na-wettelijke ontslaguitkering. De minister heeft aan het plichtsverzuim ten grondslag gelegd dat betrokkene zich al jarenlang weinig coöperatief opstelt, de verzuimbegeleiding en

re-integratie belemmert en tegenwerkt (onder meer door niet of pas op een laat moment een machtiging af te geven voor consultatie van de hem behandelende medisch specialisten), heeft verzuimd (zonder erkende geldige reden en nadat de bedrijfsarts hem volledig hersteld heeft verklaard) op het opgedragen tijdstip zijn werk te hervatten, zonder deugdelijke grond op

7 augustus 2012 en 10 augustus 2012 niet is verschenen voor de gesprekken met zijn casemanager [naam casemanager] , na een tweede dienstopdracht op 13 november 2012 zijn werkzaamheden niet heeft hervat, bij herhaling zijn leidinggevenden niet accepteert in hun functionele rol en in de rol van casemanager en niet met hen in gesprek wil gaan, in 2011 heeft geweigerd om mee te werken aan aanvullend onderzoek om zijn beperkingen te kunnen aangeven en te kunnen adviseren over de re-integratie en blijft volharden in zijn stelling dat hij arbeidsongeschikt is zonder hiervoor met bewijzen te komen.

1.5.

Bij besluit van 13 december 2013 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen de besluiten van 7 september 2012, 14 november 2012 en 26 april 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor wat betreft het strafontslag, dat besluit in zoverre vernietigd, het besluit van 26 april 2013 voor wat betreft het strafontslag herroepen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Betrokkene heeft zich onvoldoende ingespannen om aan de wens van de minister om hem op 7 augustus 2012 en 10 augustus 2012 te spreken tegemoet te komen. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim hetgeen een berisping en boete rechtvaardigt. Wat betreft de stopzetting van de bezoldiging heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene zijn stelling dat hij om medische redenen niet in staat was tot werkhervatting niet heeft bewezen. Stopzetting van de bezoldiging mocht daarom plaatsvinden. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister in redelijkheid niet had mogen kiezen voor strafontslag aangezien de minister niet uit eigen wetenschap bekend was met de medische problematiek van betrokkene en dus ook niet met de vraag in hoeverre daarin redenen zijn gelegen om betrokkene zijn gedragingen in mindere mate of in het geheel niet aan te rekenen. Daar komt bij dat strafontslag impliceert dat de oorzaak van de verstoring van de arbeidsrelatie in hoofdzaak in de aan betrokkene verweten gedragingen wordt gezocht, terwijl niet is vast te stellen of de minister op dat vlak geen verwijt moet worden gemaakt. De rechtbank heeft verder overwogen dat er onmiskenbaar sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Volgens de rechtbank is de verstoring al voor de ziekmelding van betrokkene op 13 januari 2010 begonnen en zijn partijen tijdens de ziekteperiode van betrokkene door diverse factoren meer en meer tegenover elkaar komen te staan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat de minister een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoring van de arbeidsverhoudingen en tot een extra financiële voorziening had moeten komen.

3. Partijen hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt allereerst vast dat het in hoger beroep alleen gaat om het ontslag van betrokkene en niet ook nog om de aan hem opgelegde disciplinaire maatregelen van berisping, geldboete en stopzetting van de bezoldiging.

4.2.

De minister heeft betrokkene primair strafontslag en subsidiair ontslag op andere gronden verleend. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY4837) dat bij een samenloop van ontslaggronden het bestuursorgaan een zekere keuzevrijheid toekomt. Gelet hierop zal de Raad allereerst beoordelen of de primaire ontslaggrond, het strafontslag, stand kan houden.

4.3.

Ter zitting van de Raad heeft de minister erkend dat het verwijt dat betrokkene blijft volharden in zijn stelling dat hij arbeidsongeschikt is zonder met bewijzen voor die stelling te komen, niet is opgenomen in het voornemen tot het toekennen van het strafontslag. De minister heeft dit verwijt daarom laten vallen. Verder heeft de minister zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat de gedragingen die ten grondslag zijn gelegd aan de berisping, de geldboete en het stopzetten van de bezoldiging van betrokkene - het zonder deugdelijke grond op 7 augustus 2012 en 10 augustus 2012 niet verschijnen voor de gesprekken met casemanager [naam casemanager] en het na een tweede dienstopdracht op 13 november 2012 niet hervatten van de werkzaamheden - niet ook ten grondslag zijn gelegd aan het strafontslag maar dat deze gedragingen in dat verband slechts zijn genoemd om de achtergrond en de context van het betrokkene verweten plichtsverzuim weer te geven.

4.4.

Uitgaande van het vorenstaande constateert de Raad dat het door de minister aan het strafontslag van betrokkene ten grondslag gelegde plichtsverzuim daaruit bestaat dat betrokkene zich al jarenlang weinig coöperatief opstelt, de verzuimbegeleiding en

re-integratie belemmert en tegenwerkt (onder meer door niet of pas op een laat moment een machtiging af te geven voor consultatie van de hem behandelende medisch specialisten), heeft verzuimd (zonder erkende geldige reden en nadat de bedrijfsarts hem volledig hersteld heeft verklaard) op het opgedragen tijdstip zijn werk te hervatten, bij herhaling zijn leidinggevenden niet accepteert in hun functionele rol en in de rol van casemanager en niet met hen in gesprek wil gaan, en in 2011 heeft geweigerd om mee te werken aan aanvullend onderzoek om zijn beperkingen te kunnen aangeven en te kunnen adviseren over de re-integratie. De Raad is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat deze gedragingen bewezen zijn en als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt.

4.5.

De Raad is verder van oordeel dat niet is gebleken dat het plichtsverzuim betrokkene niet kan worden aangerekend. Waar de rechtbank heeft overwogen dat de minister niet uit eigen wetenschap bekend is met de medische problematiek van betrokkene en dus ook niet met de vraag in hoeverre daarin redenen zijn gelegen om betrokkene zijn gedragingen in mindere mate of in het geheel niet aan te rekenen, heeft de rechtbank miskend dat het aan betrokkene zelf is om inzicht te verschaffen in zijn medische problematiek en aannemelijk te maken dat daarin redenen zijn gelegen om hem het plichtsverzuim niet aan te rekenen. Nu betrokkene dat inzicht niet heeft verschaft, ondanks dat de minister hem daarom bij herhaling heeft verzocht, is niet gebleken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden aangerekend.

4.6.

Het strafontslag is verder niet onevenredig te achten aan het gepleegde plichtsverzuim, te meer niet nu de minister al eerder disciplinaire maatregelen heeft genomen vanwege een aantal gedragingen die verwant zijn met hetgeen betrokkene in het kader van het strafontslag wordt verweten.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat de primaire ontslaggrond, het plichtsverzuim, stand kan houden. Het hoger beroep van de minister slaagt. De Raad komt daarom niet meer toe aan het hoger beroep van betrokkene nu dat ziet op de subsidiaire ontslaggrond, de verstoorde verhoudingen dan wel een impasse. Dit betekent dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Uit een oogpunt van duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in haar geheel vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 december 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) R.G. van den Berg

HD