Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
14/235 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het kader van medisch heronderzoek besluit het Uwv tot onderzoek door een psychiater medio 2011. Het rapport van de psychiater kan niet gelden als afdoende onderbouwing voor de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 oktober 2011 getrokken conclusies. Voorafgaande aan de toekenning van de WAO-uitkering is appellant onderzocht en heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant leed aan een ernstige psychische stoornis. Deze conclusie is gehandhaafd na ontvangst van informatie van de behandelend psychiater. De diagnose is verder bevestigd nadat appellant in 2009 op twee dagen is onderzocht door deskundigen van HSK-groep, waarbij hij uitgebreid is getest en de aandacht is gericht op het objectiveren van de klachten. Uit het rapport van de psychiater volgt niet dat appellant met opzet heeft gesimuleerd. Er is niet aan de voorwaarden voldaan om met terugwerkende kracht tot intrekking en tot terugvordering van uitkering over te gaan. Vernietiging Bob en AU, geen gelegenheid nieuwe besluiten te nemen, de oude worden herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/235 WAO

Datum uitspraak: 4 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2013, 12/3592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal en E. Battaloğlu als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als grondkabelwerker. Op 12 november 2001 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen als gevolg van rug- en knieklachten. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 11 november 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze uitkering is na herbeoordeling in 2004 onveranderd voortgezet.

1.2.

Appellant heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) in 2005 ziek gemeld met psychische klachten als gevolg van spanningen door de langdurige periode van werkloosheid. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft in mei 2005 de behandelend psychiater S. Gülsaçan benaderd met enkele vragen over de gezondheidstoestand van appellant. Hierop is kennelijk geen reactie gekomen. Op 6 maart 2006 heeft appellant opnieuw psychische klachten gemeld en is hij in het kader van de Ziektewet (ZW) onderzocht door een verzekeringsarts. In rapporten van 12 januari 2007 en 24 mei 2007 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant naast de al eerder vastgestelde beperkingen ook beperkingen heeft ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en hij ongeschikt is voor de laatst verrichte werkzaamheden. De verzekeringsarts heeft aanvullend gerapporteerd op 16 juli 2007, nadat zij van psychiater Gülsaçan antwoord had gekregen op door haar gestelde vragen. In zijn brief van 27 juni 2007 heeft Gülsaçan meegedeeld dat appellant al geruime tijd bij hem onder behandeling was wegens een depressieve stoornis met psychotische kenmerken en een paniekstoornis. Appellant is na jarenlange intensieve arbeid in een situatie terecht gekomen waarin hij zijn bestaan als zinloos ervaart. De prognose is volgens de behandelaar zeer ongunstig. De informatie van Gülsaçan heeft geen wijziging gebracht in de conclusies van de verzekeringsarts.

1.3.

In verband met het einde van de ZW-periode is appellant op 20 maart 2008 gezien door een verzekeringsarts van het Uwv. Hoewel appellant vanwege taalproblemen samen met zijn buurman naar het spreekuur was gekomen, heeft hij regelmatig zelf adequate antwoorden in het Nederlands gegeven. Appellant maakte op de verzekeringsarts een sombere, depressieve indruk. Mede op grond van de ontvangen informatie van Gülsaçan heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er nog steeds sprake is van een ernstige psychische stoornis en dat appellant niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden vanwege het onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren.

1.4.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 3 maart 2008 een WAO-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.5.

In januari 2009 is appellant uitgenodigd voor een medisch heronderzoek. Omdat bij observatie tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts op 23 januari 2009 verschillen werden gezien ten opzichte van het onderzoek in maart 2008, is HSK-groep verzocht een expertise te verrichten. In dat kader werd appellant op 13 februari 2009 en 2 maart 2009 onderzocht door psychiater I. Stessel en psycholoog S.C. Los. In het rapport van 5 maart 2009 van HSK-groep hebben de deskundigen te kennen gegeven dat bij psychiatrisch onderzoek vitale kenmerken van een depressieve stoornis werden waargenomen en angstklachten in het kader van een angststoornis. Het resultaat na testonderzoek duidt volgens de onderzoekers op een zeer hoog ervaren gevoel van zowel psychisch als lichamelijk onwel bevinden. In verband met de geconstateerde ernstige depressieve stoornis met stemmingscongruente psychotische kenmerken hebben de onderzoekers ernstige belemmeringen in het algeheel functioneren vastgesteld. Naar aanleiding van het rapport van HSK en de bevindingen bij zijn eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts vervolgens in zijn rapport van 13 maart 2009 geconcludeerd dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Bij besluit van

18 maart 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant onveranderd voortgezet.

1.6.

In april 2011 is appellant uitgenodigd voor een medisch heronderzoek, omdat er aanwijzingen waren dat zijn belastbaarheid destijds op verkeerde gronden is ingeschat. Omdat bij het onderzoek op het spreekuur van de verzekeringsarts op 28 maart 2011 slechts lichte psychische beperkingen werden vastgesteld en appellant desgevraagd te kennen had gegeven dat zijn klachten de laatste 5 tot 10 jaar niet veranderd waren, is besloten tot een psychiatrisch consult. Appellant is in dat kader op 7 juli 2011 onderzocht door psychiater J.H.M. van Laarhoven.

1.7.

In het rapport van 30 juli 2011 heeft Van Laarhoven opgemerkt dat het weliswaar altijd moeilijk is, zeker op grond van eenmalig onderzoek, zich een betrouwbare indruk te vormen over de persoonlijkheid van iemand met een andere culturele achtergrond, maar heeft met dat voorbehoud vastgesteld dat uit de levensgeschiedenis en het onderzoek geen duidelijke argumenten voor een persoonlijkheidsstoornis naar voren komen. Bij het onderzoek zijn lichte depressieve en angstige klachten waargenomen, verklaarbaar vanuit de maatschappelijke déconfiture en die naar zijn inschatting niet de ernst van een stoornis aannemen. Desgevraagd acht Van Laarhoven het onwaarschijnlijk dat het actuele psychiatrische beeld verschilt van het beeld vanaf maart 2006 tot op heden en mag het actuele beeld met eventuele beperkingen op persoonlijk en sociaal vlak en bijpassende belastbaarheid als geldend voor de hele periode vanaf maart 2006 tot op heden worden beschouwd. Van Laarhoven concludeert dat er een discrepantie is tussen zijn conclusie en die van psychiater Gülsaçan en dat dit, voor zover post hoc te beoordelen, volgens hem ook voor het verleden geldt. Van Laarhoven is voorts van mening dat de onderzoeker van HSK zich te zeer heeft laten leiden door de mededelingen van psychiater Gülsaçan en de vermoedelijk toen sterkere aggravatie door appellant.

1.8.

Bij besluit van 7 oktober 2011 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2011 geschorst onder overweging dat nadere vaststelling van de uitkeringsrechten dient plaats te vinden.

1.9.

In het rapport van 17 oktober 2011 is de verzekeringsarts, op basis van het onderzoek door Van Laarhoven en zijn eigen onderzoek, tot de conclusie gekomen dat bij appellant vanaf maart 2006 alleen sprake is geweest van rug- en knieklachten, daar later schouder-, long- en gehoorklachten zijn bijgekomen, maar dat van beperkingen in verband met psychische problemen nooit sprake is geweest. De toenmalige aanname van ernstige psychiatrische problematiek was volgens de verzekeringsarts grotendeels gebaseerd op de informatie van psychiater Gülsaçan. Inmiddels is volgens de verzekeringsarts gebleken dat die informatie een onjuist beeld van de medische toestand van appellant heeft gegeven. Het is duidelijk geworden dat appellant aanvankelijk zijn ervaren psychische klachten sterk en later en recent in lichte mate heeft aangedikt, waardoor hij een onjuist beeld van zijn klachten en belemmeringen heeft gegeven. Er was voorts geen psychiatrisch ziektebeeld of andere medische reden die appellant heeft belemmerd om een volledig en juist beeld van zijn klachten en beperkingen te geven. De verzekeringsarts heeft met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 oktober 2011, geldig vanaf 6 maart 2006, opnieuw in beeld gebracht welke beperkingen appellant in maart 2006 had voor het verrichten van arbeid, waarbij enkele beperkingen zijn opgenomen in verband met lichamelijke klachten. Uitgaande van de in de FML neergelegde beperkingen heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv voor appellant geschikt geachte functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf maart 2006 berekend op 21,41%.

1.10.

Bij besluit van 23 november 2011 heeft het Uwv het in 1.4 genoemde toekenningsbesluit van 20 maart 2008 ingetrokken en vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 maart 2008 onveranderd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 8 december 2011 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 50.795,34 teruggevorderd aan over de periode van 3 maart 2008 tot en met 30 september 2011 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Bij besluit van

31 januari 2012 heeft het Uwv de aan appellant toegekende tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) ingetrokken en van appellant het bedrag van € 1.036,- teruggevorderd.

1.11.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.10 genoemde besluiten. Bij besluit van

7 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit onder meer overwogen dat appellant in strijd heeft gehandeld met de op hem ingevolge artikel 80, eerste lid, van de WAO rustende inlichtingenplicht en dat door zijn toedoen ten onrechte uitkering is verstrekt. Met toepassing van artikel 36a van de WAO vindt intrekking plaats met terugwerkende kracht met ingang van de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte is verstrekt, zijnde 3 maart 2008.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zijn gezondheidstoestand onjuist dan wel onvolledig weergegeven en daarmee zijn inlichtingenplicht geschonden. Als gevolg daarvan is vanaf 3 maart 2008 ten onrechte

WAO-uitkering verstrekt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank heeft doorslaggevende betekenis gehecht aan de bevindingen van psychiater Van Laarhoven en van belang geacht dat appellant zelf in maart 2011 tegenover de verzekeringsarts heeft verklaard dat hij al anderhalf jaar niet meer bij de psychiater is geweest, niet elders in behandeling is gegaan en dat zijn klachten de laatste 5 tot 10 jaar niet zijn veranderd. Uit de expertise van Van Laarhoven blijkt van een zodanig grote discrepantie tussen enerzijds de huidige situatie van appellant en anderzijds de diagnose van Gülsaçan en appellants presentatie tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2008 en het onderzoek door HSK-groep in 2009, dat het Uwv deze presentatie als simulatie heeft kunnen aanmerken. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat de besluitvorming van het Uwv gebrekkig zou zijn vanwege een tunnelvisie. Tot slot heeft de rechtbank ook de juistheid van de terugvorderingsbesluiten onderschreven.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat naar zijn mening de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken, die hebben plaatsgevonden in 2008 en 2009, hebben uitgewezen dat hij met ingang van 3 maart 2008 volledig arbeidsongeschikt was. De informatie van psychiater Gülsaçan heeft toentertijd slechts gediend als adstructie bij het eigen onderzoek door het Uwv. De rechtbank heeft ten onrechte de bevindingen van de deskundigen van HSK buiten beschouwing gelaten en de bevindingen van Van Laarhoven als doorslaggevend voor het oordeel geacht.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader: algemeen

5.1.1.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO moet een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

5.1.2.

In artikel 36a, eerste lid, van de WAO is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt indien:

(…)

b. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 26 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

d. het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. Op grond van het tweede lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

5.1.3.

Op grond van artikel 57, eerste lid van de WAO, wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv van de belanghebbende teruggevorderd. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

5.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stct. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

5.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het betreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

5.5.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wtcg heeft de persoon die van rechtswege verzekerd is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en recht heeft op een uitkering in verband met een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer en de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht op een tegemoetkoming.

5.6.

In artikel 24, tweede lid, van de Wtcg zijn de voorschriften opgenomen met betrekking tot de terugvordering van verstrekte tegemoetkomingen.

Ten onrechte uitkering verstrekt ?

5.7.

Het rapport van Van Laarhoven van 30 juli 2011 kan niet gelden als afdoende onderbouwing voor de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

17 oktober 2011 getrokken conclusies. Met de stelling van Van Laarhoven dat het beeld van nu kennelijk representatief is voor de klachten van de laatste jaren acht de Raad onvoldoende onderbouwd dat aan appellant door zijn toedoen vanaf maart 2008 ten onrechte uitkering is verstrekt op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Uit het rapport blijkt niet waarom Van Laarhoven het onwaarschijnlijk acht dat het door hem in 2011 geconstateerde psychiatrische beeld verschilt van het beeld vanaf maart 2006. De Raad neemt voorts in aanmerking dat appellant voorafgaande aan de toekenning van de WAO-uitkering is onderzocht en de bevindingen van de verzekeringsarts hebben geleid tot de conclusie dat appellant leed aan een ernstige psychische stoornis en dat deze conclusie is gehandhaafd nadat informatie van de behandelend psychiater was ontvangen. De diagnose is voorts bevestigd nadat appellant in 2009 op twee dagen is onderzocht door deskundigen van HSK-groep. Appellant is tijdens dat onderzoek uitgebreid getest, waarbij de aandacht is gericht op het objectiveren van de klachten. De testresultaten duidden op zeer ernstige depressieve klachten, waardoor een ernstige depressieve stoornis werd aangenomen. De stelling van Van Laarhoven dat de onderzoeker van HSK zich te veel heeft laten leiden door mededelingen van de behandelend psychiater en de vermoedelijk sterkere aggravatie door appellant acht de Raad - tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene - onvoldoende onderbouwd. Uit het rapport van Van Laarhoven volgt naar het oordeel van de Raad niet dat appellant met opzet, te weten met het doel een WAO-uitkering te verkrijgen naar de mate van volledige arbeidsongeschiktheid, zich tijdens de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv anders heeft voorgedaan dan op grond van zijn medische toestand op dat moment in de rede lag.

5.8.

Wat in 5.7 is overwogen leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant op en na 3 maart 2008 niet als volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd. Hieruit volgt reeds dat niet aan de voorwaarden is voldaan om met terugwerkende kracht tot intrekking en tot terugvordering van te veel betaalde WAO-uitkering over 3 maart 2008 tot en met 30 september 2011 te besluiten. Zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit zullen daarom worden vernietigd. Gelet op het aantal en de omvang van de uitgevoerde onderzoeken en het tijdsverloop wordt het Uwv niet in de gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant. De besluiten van 7 oktober 2011, 23 november 2011, 8 december 2011 en 31 januari 2012 zullen worden herroepen.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep, in totaal € 2.940,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 augustus 2012;

  • -

    herroept de besluiten van 7 oktober 2011, 23 november 2011, 8 december 2011 en

31 januari 2012;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het aan appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) N. van Rooijen

NK