Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
15/4893 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4435, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Uit wat appellant heeft aangevoerd blijkt niet dat hij toen buiten staat was tijdig bezwaar te maken. Het enkele feit dat het bezwaarschrift enkele uren (3) na het verstrijken van de bezwaartermijn is verzonden kan niet tot een ander oordeel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4893 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 juni 2015, 15/836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] , te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 december 2015

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2015. Appellant is daarbij niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 1 december 2014 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij per

11 oktober 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Op 13 januari 2015 heeft appellant digitaal bezwaar gemaakt tegen het besluit van

1 december 2014.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 10 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat wel sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het bezwaar drie uur te laat is verzonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht het oordeel van het Uwv heeft onderschreven over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2014.

4.2.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het door appellant op 13 januari 2015 ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 1 december 2014 niet is ingediend binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn.

4.4.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In de door en namens appellant aangevoerde omstandigheden wordt met de rechtbank geen reden gezien om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Daarbij is met name van belang dat uit wat appellant heeft aangevoerd over de omstandigheden waarin hij toentertijd verkeerde niet blijkt dat hij toen buiten staat was tijdig bezwaar te maken. Het enkele feit dat het bezwaarschrift enkele uren na het verstrijken van de bezwaartermijn is verzonden kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.5.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2015.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) J.R. van Ravenstein

UM