Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
13/164 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 164 WAO, 13/2454 WAO

Datum uitspraak: 9 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

19 december 2012, 12/1836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden. Voorts heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 23 april 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en deze met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de Raad gezonden. Mr. Strijbosch heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. Namens appellant is

mr. Strijbosch verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 29 september 2004 recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. In 2008 heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid plaatsgevonden. In dat kader heeft het Uwv informatie opgevraagd bij psychiater [naam psychiater] , bij wie appellant onder behandeling zou zijn. Deze informatie is niet ontvangen en het Uwv heeft overwogen dat een psychiatrische expertise noodzakelijk was om de belastbaarheid van appellant op een adequate manier te kunnen vaststellen. Dit onderzoek heeft niet tijdig kunnen plaatsvinden, waarna het Uwv bij besluit van 17 november 2008 heeft beslist dat appellant onveranderd recht heeft op een volledige WAO-uitkering.

1.3.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waarin psychiater [naam psychiater] verdacht is van fraude, bestaande uit het afgeven van valse medische verklaringen, is door het Uwv heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellant. Appellant is in dat kader opgeroepen bij de verzekeringsarts. Deze heeft in zijn rapport van 26 juli 2011 vermeld dat het tijdens dat spreekuur niet mogelijk was een anamnese af te nemen omdat appellant niet of nauwelijks aanspreekbaar was. Hij leek te slapen tijdens het spreekuurcontact. De verzekeringsarts moest het doen met een heteroanamnese via de zoon van appellant. Deze heeft verteld dat appellant in het verleden was behandeld door zenuwarts B.J.M. Franssen en dat hij via een kennis bij psychiater [naam psychiater] terecht was gekomen. Tevoren zou overlegd zijn met de huisarts Brouwers te [plaatsnaam 1] over de behandeling bij laatstgenoemde psychiater. De presentatie imponeerde volgens de verzekeringsarts weinig authentiek. Op verzoek van het Uwv is appellant vervolgens opgeroepen voor een onderzoek door psychiater G.C. Zwartjes. Appellant vertoonde tijdens dat onderzoek een somnolentie, die volgens Zwartjes van medicamenteuze aard moest zijn en waarbij het niet uitgesloten is dat extra medicatie was genomen voorafgaande aan het onderzoek. Zwartjes heeft voorgesteld appellant op te nemen, om op die manier de psychische belastbaarheid te kunnen vaststellen. Appellant is vervolgens van 29 augustus 2011 tot en met 2 september 2011 ter diagnostische observatie opgenomen in het [naam ziekenhuis] te [plaatsnaam 2] . In zijn rapport van

24 oktober 2011 heeft psychiater P. Notten verslag gedaan van de waarnemingen tijdens de observatie. Op grond van zijn onderzoek heeft Notten geconcludeerd dat er geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld en zijn er bij appellant in psychiatrische zin geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Notten acht het aannemelijk dat de klachten van appellant ook in 2004 door hem geaggraveerd werden. Notten vermeldt dat tijdens de opname de medicatie gestopt werd en gebleken is dat appellant in de loop van de dagen beter is gaan functioneren. Er zijn geen psychotische, depressieve of angstige verschijnselen waargenomen.

1.4.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts appellant op het spreekuur op 7 november 2011 gezien en een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Hij is mede op basis van de bevindingen van Notten tot de conclusie gekomen dat appellant opzettelijk onderzoek naar zijn functionele mogelijkheden onmogelijk maakt door het innemen van medicatie vlak voor het spreekuurcontact, terwijl hij op andere dagen de voorgeschreven medicatie niet of niet volledig gebruikt. Mocht appellant de voorgeschreven medicatie wel dagelijks gebruiken, dan zou hij door gewenning niet meer in die mate last hebben van slaperigheid als waargenomen op 9 mei 2011 tijdens het spreekuurcontact. Met inachtneming van de bevindingen van Notten en Zwartjes heeft de verzekeringsarts in het rapport van 7 november 2011 geconcludeerd dat bij appellant vanaf 29 september 2004 geen sprake is geweest van een psychiatrische stoornis die hem heeft belet arbeid te verrichten. Appellant is daarom vanaf die datum niet ongeschikt voor de maatgevende arbeid van inpakker. De door appellant op 9 mei 2011 opgevoerde rugklachten zijn nooit eerder gemeld en hiermee kan dan ook geen rekening gehouden worden bij het inschatten van de belastbaarheid per 29 september 2004. Mede gezien de presentatie tijdens het spreekuur en de conclusies uit de psychiatrische expertises heeft de verzekeringsarts het zeer aannemelijk geacht dat appellant ook bij voorgaande beoordelingen door verzekeringsartsen een onjuist en/of onvolledig beeld van zijn klachten en belemmeringen heeft gegeven.

1.5.

Bij besluit van 16 november 2011 heeft het Uwv zijn besluit van 28 september 2004 ingetrokken op de grond dat destijds - mede door onvolledige dan wel onjuiste inlichtingen van appellant over zijn gezondheidstoestand - ten onrechte aan appellant een WAO-uitkering is toegekend.

1.6.

Bij besluit van 29 november 2011 heeft het Uwv van appellant het bedrag van

€ 126.323,94 teruggevorderd aan over de periode van 29 september 2004 tot en met

30 november 2011 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

1.7.

De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 november 2011 en 29 november 2011 zijn bij beslissing op bezwaar van 19 juni 2012 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Met verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

5 juni 2012 heeft het Uwv het standpunt gehandhaafd dat appellant ten tijde van de gesprekken en verzekeringsgeneeskundige onderzoeken op 5 november 2003, 19 april 2004 en 15 september 2008 door zijn handelen en presentatie onjuiste informatie heeft verschaft over zijn medische situatie. Aangezien niet aannemelijk is geworden dat er sinds

29 september 2004 psychiatrische beperkingen waren, is er ook geen reden aan te geven op basis waarvan hij destijds buiten staat is geweest juiste en volledige informatie te verstrekken. Appellant was daarom niet om medische redenen buiten staat om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld te geven van zijn klachten en belemmeringen. Omdat door toedoen van appellant ten onrechte een uitkering is verstrekt, vindt intrekking van de uitkering plaats met terugwerkende kracht tot de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte is verstrekt, te weten op 29 september 2004.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, voor zover het Uwv daarin het bezwaar van appellant tegen het besluit de WAO-uitkering alsnog van 29 september 2004 tot en met 1 mei 2011 in te trekken en de over die periode betaalde uitkering terug te vorderen, ongegrond heeft verklaard en heeft dat deel van het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen met betrekking tot het recht op uitkering over de genoemde periode en met betrekking tot het bedrag van de terugvordering een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van appellant, met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft het beroep van appellant voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank beslist over vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

2.2.

Daartoe heeft de rechtbank - samengevat- overwogen dat appellant in ieder geval per

2 mei 2011 en per de datum van de klinische observatie, die aanving op 29 augustus 2011, niet arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft daarbij onder meer verwezen naar de observaties en de beoordeling van psychiater Zwartjes en het expertiseverslag van psychiater Notten. Al wat door appellant is aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat er per 2 mei 2011 geen beperkingen (meer) bestonden ten opzichte van het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft in haar beschouwing te kennen dat, hoewel de huidige behandelaar wel uitgaat van het bestaan van een onderliggende psychiatrische stoornis, zij deze informatie in het licht van de uitkomsten van het expertiseonderzoek en de diagnostische opname onvoldoende overtuigend acht. Het gegeven dat appellant bij zijn behandelaar een gesedeerde indruk maakt, vormt volgens haar een bevestiging van de bevindingen bij eerdere onderzoeken dat alleen voorafgaand aan een onderzoek de voorgeschreven medicatie wordt ingenomen. De rechtbank heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven. Uit de gegevens over het functioneren van appellant die zijn verzameld tijdens de klinische observatie blijkt voldoende duidelijk dat sprake is van simulatie.

2.3.

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter op grond van de voorliggende stukken niet worden vastgesteld dat de uitkering steeds ten onrechte is verleend en is er onvoldoende grond om tot intrekking van de WAO-uitkering met volledig terugwerkende kracht over te gaan. Er zijn wel (sterke) vermoedens dat appellant ook in 2004 al simuleerde, maar het Uwv heeft zijn besluit onvoldoende onderbouwd. Het Uwv zal zorgvuldiger en uitgebreider onderzoek moeten verrichten en zijn besluit uitgebreider moeten motiveren. Er zullen volgens de rechtbank - bijvoorbeeld via een verklaring van de huisarts van appellant of andere direct betrokkenen - concrete aanknopingspunten moeten worden aangewezen in het verleden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat appellant ook toen al “normaal” functioneerde en niet psychotisch of agressief was. Het enkele vermoeden dat de situatie destijds dezelfde was als nu is niet voldoende om over te gaan tot intrekking van de WAO-uitkering met volledig terugwerkende kracht.

3.1.

In het in het procesverloop vermelde besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 november 2011 en

29 november 2011 opnieuw ongegrond verklaard. Aan die beslissing ligt het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 april 2013 ten grondslag.

3.2.

In hoger beroep heeft appellant het standpunt gehandhaafd dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat de rechtbank te veel waarde heeft gehecht aan de rapporten van de psychiaters Zwartjes en Notten en onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het rapport van de behandelend psychiater F. Kaya. Appellant heeft verder aangevoerd dat het Uwv ook in de nieuwe beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd heeft waarom intrekking met volledig terugwerkende kracht terecht is. Hij acht zich nog steeds volledig arbeidsongeschikt.

4. De Raad overweegt als volgt.

Toetsingskader: algemeen

4.1.1.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO - zoals die bepaling luidde ten tijde in geding - is degene die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht aan het Uwv, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.

4.1.2.

Op grond van artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder b en c van de WAO, voor zover hier van belang, herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt het dit in indien de betrokkene niet voldaan heeft aan zijn in artikel 80, eerste lid, van de WAO neergelegde verplichting om op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk informatie te verstrekken waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op zijn recht op een WAO-uitkering en als gevolg daarvan het recht op een uitkering ten onrechte (op een te hoog bedrag) is vastgesteld. In het tweede lid is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

4.1.3.

Op grond van artikel 57, eerste lid van de WAO, wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv van de belanghebbende teruggevorderd. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

4.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stct. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

4.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het betreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844).

Wat is in dit geval gesteld?

4.5.

Bestreden besluit 2 dient overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in dit hoger beroep te worden beoordeeld.

4.5.1.

Onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

12 april 2013 handhaaft het Uwv in bestreden besluit 2 het standpunt dat aan appellant met ingang van 29 september 2004 ten onrechte WAO-uitkering is verstrekt. Op grond van het alsnog verrichte onderzoek is komen vast te staan dat appellant op voornoemde datum in staat was loonvormende arbeid te verrichten. Appellant wordt verweten dat hij bij herhaling vanaf november 2003 door zijn handelen en presentatie onjuiste informatie heeft verschaft over zijn medische situatie door een beeld van een ernstige psychiatrische stoornis op te roepen dat geen betrouwbare weergave van zijn gezondheidssituatie is gebleken.

Ten onrechte uitkering verstrekt?

De aangevallen uitspraak: periode vanaf 2 mei 2011

4.6.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat op grond van het geheel van de omtrent appellant voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het expertiserapport van psychiater Notten van 24 oktober 2011, in genoegzame mate buiten twijfel is gesteld dat appellant op 2 mei 2011 in staat was loonvormende arbeid te verrichten en voorts dat hem het verwijt treft bij de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken die plaatshadden op 9 mei 2011 en op 7 november 2011 de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door zowel met zijn mutistisch gedrag als met de over hem op 9 mei 2011 door zijn zoon verstrekte inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te wenden. De conclusies van Notten zijn stellig, eenduidig en overtuigend gemotiveerd. De Raad stelt zich achter het standpunt van het Uwv dat de voortzetting van uitkering aan appellant in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met zijn simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, nu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor ten onrechte aan hem uitkering is verstrekt.

Bestreden besluit 2: periode tot 2 mei 2011

4.7.

Aan bestreden besluit 2, waarbij opnieuw de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 november 2011 en 29 november 2011 ongegrond zijn verklaard, ligt het onder 3.1 vermelde rapport van 12 april 2013 ten grondslag. Hieruit kan worden opgemaakt dat het Uwv de huisarts van appellant opnieuw benaderd heeft. Er is met name verzocht om informatie over de wijze waarop appellant zich in de periode na 2004 bij de huisarts heeft gedragen, omdat uit het namens appellant in beroep ingezonden patiëntenjournaal, dat een overzicht geeft over de periode van 2000 tot en met 2012, niet was op te maken of appellant aldaar hetzelfde mutistische, niet aanspreekbare gedrag liet zien als destijds bij het Uwv. Hoewel uit de stukken is gebleken dat appellant bij meerdere verzekeringsgeneeskundige onderzoeken te kennen heeft gegeven dat hij de huisarts op de hoogte had gesteld van zijn psychische problemen, is uit de ontvangen informatie niet op te maken dat appellant bij de huisarts mutistisch gedrag heeft vertoond dan wel zijn psychische problemen aan de orde heeft gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 12 april 2013 terecht opgemerkt dat, wanneer appellant bij de huisarts hetzelfde gedrag zou hebben laten zien als bij het Uwv het vreemd en onwaarschijnlijk is dat daar in al die jaren geen enkele aantekening van zou zijn gemaakt. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de gegevens uit de periode vanaf 2003 nogmaals bestudeerd en geconstateerd dat appellant na zijn ziekmelding en tot aan de heronderzoeken in 2011 in feite slechts drie keer is gezien door een verzekeringsarts van het Uwv en dat bij twee van de drie artsen duidelijke twijfel is gerezen over het gepresenteerde medische beeld. In 2008 heeft appellant gemeld dat hij een andere behandelaar had, psychiater [naam psychiater] , maar verzoeken om informatie zijn door deze behandelaar niet beantwoord. De huisarts heeft in een brief van 12 mei 2011 te kennen gegeven van deze behandelaar geen correspondentie over de geestelijke gesteldheid van appellant te hebben ontvangen. Desgevraagd heeft de huisarts het Uwv opnieuw van informatie voorzien in de vorm van brieven van specialisten en in de begeleidende brief meegedeeld dat deze alle relevante onderzoeken betreffen. Van deze stukken heeft slechts één brief betrekking op de periode in geding, namelijk een brief uit 2005 van een orthopedisch chirurg. Deze is voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in deze zaak niet van belang. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat voormelde bevindingen het eerder ingenomen standpunt van het Uwv bevestigen.

4.8.

Gelet op wat hiervoor onder 4.7 is overwogen, in samenhang bezien met het geheel van de omtrent appellant voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het expertiserapport van psychiater Notten van 24 oktober 2011, wordt het Uwv gevolgd in zijn eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 2004 niet om medische redenen buiten staat was om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld van zijn klachten en belemmeringen te geven. Nu appellant dit heeft nagelaten is hij de informatieplicht van artikel 80 van de WAO niet of niet behoorlijk nagekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts inzichtelijk en overtuigend gerapporteerd dat er met ingang van 29 september 2004 onvoldoende aanleiding is voor het stellen van beperkingen met betrekking tot het functioneren van appellant. De Raad stelt zich achter het standpunt van het Uwv dat de verstrekking van de uitkering aan appellant in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met zijn simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, nu geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, daardoor aan hem ten onrechte uitkering is verstrekt. Gelet hierop heeft het Uwv terecht in bestreden besluit 2 de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 november 2011 en 29 november 2011 ongegrond verklaard.

4.9.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten. Het beroep tegen bestreden besluit 2 dient ongegrond te worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) I. Mehagnoul

UM