Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
14/475 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onterechte weigering WW-uitkeringen: appellanten hebben gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland behouden. Hierbij wordt van belang geacht dat appellanten zodanige sterke banden met Nederland hebben opgebouwd, dat een (definitieve) verbreking van die band voldoende duidelijk dient te zijn. In dit geval is daar geen sprake van. Er is veeleer sprake van een situatie waarin appellanten uitsluitend wegens een contractuele verplichting een tweede woning hebben moeten huren om zo dicht mogelijk bij hun feitelijke werkplaats te kunnen zijn in geval van calamiteiten. Dat deze woning in België lag had, naar appellanten stellen en aannemelijk wordt geacht, te maken met de lagere huurprijzen en beschikbaarheid van huurwoningen op relatief korte termijn. Het huren van een woning in België was er niet op gericht om de banden met Nederland te verbreken. Integendeel, uit de thans beschikbare gegevens blijkt dat alleszins aannemelijk is dat appellanten gedurende het verrichten van hun werkzaamheden het overgrote deel van de tijd feitelijk in hun woning in Rotterdam verbleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/49

Uitspraak

14/475 WW, 14/476 WW, 14/1399 WW, 14/1400 WW

Datum uitspraak: 27 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

12 december 2013, 12/841 en12/842 (aangevallen uitspraak 1) en 20 februari 2014, 13/2857 en 13/2858 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] (tezamen: appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. van den Weert en mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn tot en met 31 juli 2011 in Nederland werkzaam geweest bij [naam werkgever]. Per 1 augustus 2011 zijn zij ontslagen.

1.2.

Bij besluiten van 29 augustus 2011 heeft het Uwv appellanten het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontzegd. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellanten in België wonen en dat zij als volledige werkloze grensarbeiders op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) uitsluitend aanspraak hebben op een werkloosheidsuitkering in hun woonland België. Appellanten hebben tegen de besluiten van 29 augustus 2011 bezwaar gemaakt.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluiten van 20 februari 2012 (bestreden besluiten 1) het bezwaar tegen de besluiten van 29 augustus 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv handhaaft daarbij het standpunt dat appellanten tijdens het verrichten van hun werkzaamheden en tijdens de eerste werkloosheidsdag in België woonden.

1.4.

Nadat appellanten zich op 14 november 2011 weer in de Basisadministratie Personen (voorheen: Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) hebben laten inschrijven, hebben zij op 13 januari 2012 opnieuw een WW-aanvraag ingediend.

1.5.

Bij besluiten van 12 oktober 2012 heeft het Uwv geweigerd appellanten per 14 november 2011 een WW-uitkering toe te kennen. De hiertegen ingediende bezwaren zijn bij besluiten van 16 april 2013 (bestreden besluiten 2) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, uitgaande van 14 november 2011 als eerste werkloosheidsdag, appellanten niet voldoen aan de referte-eis, omdat zij niet ten minste 26 weken hebben gewerkt in de 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten ten tijde van het ingaan van hun werkloosheid hun hoofdverblijf hadden in België en dat zij zijn aan te merken als volledig werkloze grensarbeiders. Op grond van Vo 883/2004 is de wetgeving van de woonstaat, in dit geval België, van toepassing.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv gevolgd dat appellanten niet voldoen aan de referte-eis. Ten tijde van het ingaan van de werkloosheid op 1 augustus 2011 verbleven appellanten in België, waardoor sprake is van de in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW neergelegde uitsluitingsgrond, welke eraan in de weg staat dat een recht op WW-uitkering ontstaat. De eerste werkloosheidsdag betreft daarom de eerste dag waarop de uitsluitingsgrond niet meer geldt. In dit geval is dat

14 november 2011, de datum waarop appellanten zich in Nederland hebben laten inschrijven. Appellanten hebben in de 36 weken voorafgaand aan laatstgenoemde datum, niet ten minste 26 weken gewerkt, zodat zij op grond van artikel 17 van de WW geen recht kunnen doen gelden op een WW-uitkering per 14 november 2011.

3. In hoger beroep hebben appellanten, voor zover relevant en kort samengevat, aangevoerd dat zij ten tijde van het verrichten van hun werkzaamheden, maar ook daarna, in Nederland woonden, zodat zij recht hebben op een Nederlandse WW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil waar appellanten tijdens het verrichten van hun werkzaamheden bij [naam werkgever] hebben gewoond. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellanten destijds hun woonplaats hadden in België, dat zij (volledig werkloze) grensarbeiders zijn in de zin van Vo 883/2004 en daarom op grond van artikel 65, vijfde lid en onder a, van Vo 883/2004 recht op uitkering hebben volgens de wetgeving van de lidstaat waar zij woonden.

4.2.

Beoordeeld dient te worden of appellanten ten tijde van het verrichten van hun werkzaamheden terecht als grensarbeiders zijn aangemerkt. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, en dus vaststaat dat appellanten in Nederland woonden, dan is Vo 883/2004 niet van toepassing en dient naar Nederlands recht te worden beoordeeld of er aanspraak bestaat op een WW-uitkering.

4.3.1.

Ingevolge artikel 1 onder f van Vo 883/2004 wordt voor de toepassing van deze verordening onder ‘grensarbeider’ verstaan eenieder die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat maar die woont in een andere lidstaat, waarnaar hij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert.

4.3.2.

Ingevolge artikel 1 onder j van Vo 883/2004 wordt voor de toepassing van deze verordening onder ‘woonplaats’ verstaan de plaats waar een persoon pleegt te wonen.

4.3.3.

Blijkens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (vergelijk de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, C-76/76, Swaddling van 25 februari 1999, C-90/97, Wencel van 16 mei 2013, C-589/10 en I vs Health Service van 5 juni 2014, C-255/13) wordt inzake het begrip woonplaats binnen de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en

Vo 883/2004 gedoeld op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Volgens het Hof kan een persoon, voor de toepassing van beide verordeningen, echter niet tegelijkertijd beschikken over twee normale woonplaatsen op het grondgebied van twee verschillende lidstaten (arrest Wencel, punt 51). De in de rechtspraak van het Hof neergelegde factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de normale woonplaats van een persoon, zijn thans gecodificeerd in artikel 11, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009. Deze opsomming is echter niet uitputtend en voorziet niet in een rangorde (arrest I vs Health Service, punt 46). Het is aan de nationale rechter om, gelet op alle relevante elementen in het dossier, te beoordelen waar zich de normale woonplaats van de betrokkene bevindt. Hierbij zijn niet de formele indicaties, zoals inschrijving in een gemeentelijk inwonersregister, doorslaggevend, maar zijn de concrete feiten en omstandigheden bepalend voor de vraag of betrokkene ten tijde in geding het gewone centrum van zijn belangen in een andere lidstaat dan Nederland had.

4.4.

Met betrekking tot deze beoordeling kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Appellanten hebben gedurende vele jaren in Nederland gewoond en gewerkt en hebben samen twee kinderen. Met ingang van 1 oktober 2009 is appellant als parkbeheerder bij [naam werkgever] gaan werken. Appellante is met ingang van 1 februari 2010 als administratief medewerker bij dezelfde werkgever in dienst getreden. De feitelijke werkplek, het recreatiepark, lag in Nederland op zeer geringe afstand van de Belgische grens. Uit de met appellant afgesloten arbeidsovereenkomst blijkt dat hij, wegens de aard van zijn functie, geacht wordt woonruimte op het park te betrekken, om ook buiten kantoortijden bereikbaar en inzetbaar te zijn. Begin augustus 2010 is aan deze verplichting uitvoering gegeven, zij het dat appellanten per 1 augustus 2010 woonruimte hebben gehuurd in België op zeer geringe afstand van het recreatiepark. Uit de huurovereenkomst blijkt dat het contract voor minimaal drie jaar wordt afgesloten, maar dat dit in geval van beëindiging of verplaatsing van de werkzaamheden kan worden opgezegd. Per 2 augustus 2010 hebben appellanten zich laten uitschrijven uit de Nederlandse Basisregistratie Personen en zich in het Belgische bevolkingsregister laten inschrijven, omdat dit, naar appellanten stellen, een voorwaarde was om een huurovereenkomst in België te kunnen afsluiten. Tegelijkertijd hebben appellanten de woning van hun dochter in Rotterdam gehuurd, omdat deze al langere tijd leeg stond. Appellanten hebben aangaande hun feitelijke verblijf te kennen gegeven dat zij in Rotterdam verbleven, met uitzondering van de tijd dat appellant voor calamiteiten in het park moest zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij gewezen op salarisstroken waaruit blijkt dat over diverse maanden een reiskostenvergoeding is toegekend, uitgaande van Rotterdam als woonplaats. Voorts zijn medische stukken ingebracht waaruit bezoeken aan Nederlandse medische instellingen blijken en zijn bankgegevens ingebracht waaruit blijkt dat in de periode in geding diverse pintransacties in Nederland zijn gedaan. Nadat appellanten om bedrijfseconomische redenen per 1 augustus 2011 zijn ontslagen, hebben zij zich op 14 november 2011 weer laten inschrijven in de Basisregistratie Personen.

4.5.

De hierboven omschreven feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband bezien, leiden de Raad tot de conclusie dat aannemelijk is dat appellanten gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland hadden behouden. Hierbij wordt van belang geacht dat appellanten zodanige sterke banden met Nederland hebben opgebouwd, dat een (definitieve) verbreking van die band voldoende duidelijk dient te zijn. In dit geval is daar geen sprake van. Er is veeleer sprake van een situatie waarin appellanten uitsluitend wegens een contractuele verplichting een tweede woning hebben moeten huren om zo dicht mogelijk bij hun feitelijke werkplaats te kunnen zijn in geval van calamiteiten. Dat deze woning in België lag had, naar appellanten stellen en aannemelijk wordt geacht, te maken met de lagere huurprijzen en beschikbaarheid van huurwoningen op relatief korte termijn. Het huren van een woning in België was er niet op gericht om de banden met Nederland te verbreken. Integendeel, uit de thans beschikbare gegevens blijkt dat alleszins aannemelijk is dat appellanten gedurende het verrichten van hun werkzaamheden het overgrote deel van de tijd feitelijk in hun woning in Rotterdam verbleven. Dat blijkt onder meer uit de toegekende reiskostenvergoeding en de veelvuldig in Rotterdam verrichte pintransacties. Hun meubels en bezittingen bevonden zich in de woning in Rotterdam. De woning in België betrof een gemeubileerde woning. Tevens woonden de kinderen van appellanten in Nederland, en bezochten appellanten alhier het ziekenhuis en de tandarts. Het formele feit dat appellanten zich hebben laten uitschrijven uit de Basisregistratie Personen is niet doorslaggevend voor de beoordeling waar hun normale woonplaats zich bevindt. In dit verband wordt van belang geacht dat kort nadat aan appellanten ontslag werd verleend, zij de huur van de woning in België hebben opgezegd en zich weer in Nederland hebben laten inschrijven.

4.6.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellanten niet als grensarbeiders zijn aan te merken, omdat zij gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland hadden en tevens in Nederland werkzaam waren. Appellanten vallen dan ook niet binnen de werkingssfeer van Vo 883/2004. Dit betekent dat het Uwv zich in de bestreden besluiten 1 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat België op grond van artikel 65, vijfde lid en onder a, van Vo 883/2004 de bevoegde lidstaat is. Dit betekent ook dat het Uwv zich in de bestreden besluiten 2 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW van toepassing is. De aangevallen uitspraken en de bestreden besluiten moeten derhalve vernietigd worden. Het Uwv dient opnieuw op het bezwaar tegen de besluiten van 29 augustus 2011 en 12 oktober 2012 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, nu een geheel nieuwe beoordeling van de WW-aanvragen dient plaats te vinden. De Raad ziet met het oog op een voortvarende afwikkeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat beroep tegen de nieuwe besluiten slechts kan worden ingesteld bij de Raad.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellanten. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 2.695,- in beroep en op € 1.470,- in hoger beroep, in totaal € 4.165,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 20 februari 2012 en

16 april 2013;

- draagt het Uwv op nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- bepaalt dat beroep tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing(en) op bezwaar

slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 4.165,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 412,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M. Crum

AP

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het beroep wonen.