Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
13-5630 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen machtiging van bewindvoerder overgelgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/95
NJB 2015/473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5630 AWBZ

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 september 2013, 13/4013 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.P. Schippers hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Voor appellante is Schippers verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Boersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft CAK appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2013 een eigen bijdrage Zorg met Verblijf is verschuldigd die is vastgesteld op € 1.615,88 per maand.

1.2.

Bij besluit van 22 april 2013 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet‑ontvankelijk verklaard.

3. Namens appellante heeft Schippers zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.1.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het - voor zover hier van belang - ten minste de naam en het adres van de indiener. In navolging van het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, is de Raad van oordeel dat met ‘indiener’ wordt bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld. Ondertekening van het beroepschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede) ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft dan aan het beroepschrift een gebrek.

4.3.

Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het hiervoor in 4.2 bedoelde gebrek is als een zodanig verzuim aan te merken. Ook de memorie van toelichting wijst erop dat het ontbreken van een schriftelijke volmacht als een verzuim in de zin van artikel 6:6 van de Awb moet worden aangemerkt (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 123). Dat het ontbreken van het bewijs van machtiging is aan te merken als een verzuim komt tevens tot uitdrukking in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Daarin is bepaald dat van de gemachtigde een schriftelijke machtiging kan worden verlangd, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor het geval die gemachtigde een advocaat is.

4.4.

Bij beschikking van 30 november 2006 heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan appellante en de Stichting de Rotonde tot bewindvoerder benoemd. De Raad stelt vast dat de hier aan de orde zijnde op grond van het Bijdragebesluit zorg vastgestelde eigen bijdrage onder dit bewind valt.

4.5.

Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is, voor zover hier van belang, bepaald dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. Uit dit wettelijk stelsel volgt dat uit een machtiging van de bewindvoerder van appellante zou moeten blijken dat Schippers gemachtigd is namens appellante hoger beroep in te stellen.

4.6.

Artikel 8:21, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is.

4.7.

Schippers heeft bij het indienen van het hoger beroep geen machtiging van de bewindvoerder van appellante overgelegd. Bij brief van 25 april 2014 is hij in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen vier weken na verzending van de brief te herstellen en is hij erop gewezen dat het ontbreken van de vereiste machtiging kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep.

4.8.

Bij brief van 28 mei 2014 heeft Schippers meegedeeld dat volgens hem een machtiging van de bewindvoerder niet aan de orde is. Ter zitting heeft Schippers toegelicht dat hij geen machtiging aan de bewindvoerder heeft gevraagd en die dus ook niet heeft gekregen. Volgens Schippers functioneert de bewindvoerder niet en vormt deze zaak daar een voorbeeld van. Hij ziet daarom ook niet in waarom hij de bewindvoerder om een machtiging zou moeten vragen. Hij kan een dergelijke machtiging dan ook niet overleggen.

4.9.

Schippers heeft niet voldaan aan de verplichting om binnen de gestelde termijn een machtiging van de bewindvoerder in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is namens appellante hoger beroep in te stellen. Schippers wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat op grond van de door hem genoemde omstandigheden een dergelijke machtiging niet zou kunnen worden verlangd. De Raad acht geen omstandigheden aanwezig om niet tot

niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep over te gaan.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.

(geteke nd) H.C.P. Venema

(getekend) J.C. Hoogendoorn

TM