Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4408

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
14-7203 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvragen. Appellant heeft geen onjuiste informatie over zijn hoofdverblijf verstrekt bij de eerste aanvraag. Onvoldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7203 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 december 2014, 14/7066 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Namens appellant is

mr. De Wit verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft over de periode van 4 mei 2010 tot 1 december 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen op het adres [adres] te [woonplaats] , waar hij een kamer bewoonde in de woning van zijn twee broers en hun echtgenoten. Hij stond op dit adres sinds 23 februari 2004 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen). Vanaf 1 december 2012 had appellant inkomsten uit arbeid waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. Appellant ontving tot 3 september 2013 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Na de beëindiging van de WW-uitkering heeft appellant zich op 8 december 2013 bij het UWV-werkbedrijf gemeld voor het aanvragen van bijstand. Op 9 december 2013 heeft hij de daartoe strekkende aanvraag ingediend (hierna: eerste aanvraag). Hierbij heeft hij opnieuw opgegeven dat hij woont op het adres

[adres] te [woonplaats] (opgegeven adres).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college aan appellant een voorschot verstrekt tot een bedrag van € 750,-. Tevens hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en werkgelegenheidsprojecten (SZW) van de gemeente

Den Haag (afdeling B.O.) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben de medewerkers onder meer op 11 februari 2014 appellant gehoord, waarbij hij een plattegrond heeft getekend van de door hem bewoonde kamer. Aansluitend hebben zij een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 februari 2014.

1.3.

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen en het verstrekte voorschot tot een bedrag van € 750,- van appellant teruggevorderd.

1.4.

Appellant heeft zich op 12 maart 2014 opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand op bovenvermeld adres (hierna: tweede aanvraag). Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere beslissing dan die van 3 maart 2014 rechtvaardigen.

1.5.

Bij besluit van 7 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 3 maart 2014 en 10 april 2014 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat gelet op de door appellant afgelegde verklaring en de bevindingen van het huisbezoek niet waarschijnlijk is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voor zover het bestreden besluit de periode voor 12 maart 2014 betreft is het gegrond op artikel 4:6 van de Awb.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft hiertoe, samengevat, aangevoerd dat uit de bevindingen van het huisbezoek volgt dat hij ten tijde hier van belang wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Er zijn kleding en persoonlijke spullen van hem aangetroffen die aannemelijk maken dat hij dagelijks op dat adres verbleef. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij weinig persoonlijke spullen bezit omdat hij een sobere levenswijze heeft. Zijn woonsituatie is volgens hem niet gewijzigd ten opzichte van de eerdere periode waarin hij bijstand ontving van het college en verschilt bovendien niet wezenlijk van de situatie op 19 januari 2015, met ingang van welke datum het college hem opnieuw bijstand heeft toegekend op het opgegeven adres. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Eerste aanvraag

4.1.

De ter zake van de afwijzing van de eerste aanvraag te beoordelen periode loopt van

8 december 2013 (de datum van melding) tot en met 3 maart 2014 (de datum van het besluit op de aanvraag).

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden de onderzoekresultaten onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres.

4.3.1.

Appellant heeft tijdens het gesprek op 11 februari 2014 uitleg gegeven over de wijze waarop hij in de woning verblijft: hij heeft een sobere levenswijze en leeft niet als een doorsnee burger. Behalve in zijn slaapkamer heeft hij in de gehele woning geen persoonlijke eigendommen. Appellant heeft verklaard dat hij bijna elke dag mee-eet als zijn schoonzusters koken. Voorts heeft appellant verklaard dat in zijn garderobekast in de slaapkamer zijn post, kleding en persoonlijke spullen liggen. Uit het verslag van het huisbezoek blijkt dat de door appellant afgelegde verklaring overeenkomt met wat de medewerkers van de afdeling B.O. tijdens het huisbezoek hebben aangetroffen.

4.3.2.

Op het opgegeven adres zijn persoonlijke bezittingen, zoals de oplader van een mobiele telefoon en persoonlijke verzorgingsartikelen van appellant, zoals scheermesjes, tandpasta en deodorant aangetroffen. In de kamer van appellant lag een matras op de grond en in de kast lagen diverse kledingstukken, administratie en poststukken van appellant. Dat tijdens het huisbezoek geen tafel en geen stoel is aangetroffen, slechts weinig persoonlijke spullen, met name geen foto’s, geen audio-visuele apparatuur en geen computer is, anders dan het college meent, op zichzelf niet van doorslaggevende betekenis voor de beantwoording van de vraag of appellant op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf had. Appellant mocht immers, zij het onder restricties, gebruikmaken van de gehele woning, inclusief de woonkamer, waarin zich een bank, stoelen en een tafel bevonden. Voorts mocht appellant de televisie en andere apparatuur in de woonkamer gebruiken als de familie daarbij aanwezig was of daarvoor toestemming had gegeven. In dit licht is de omstandigheid dat appellant in zijn kamer niet beschikte over een tafel, een stoel en een televisie niet zwaarwegend.

4.3.3.

De enkele indruk van de medewerkers van de afdeling B.O. dat - samengevat - de kamer, inclusief de inhoud van de kast, van appellant er zo netjes uitzag dat hij niet bewoond leek, kan de conclusie dat appellant die kamer niet bewoonde niet dragen. Het feit dat de kamer van appellant geen bed, maar alleen een matras, bevatte, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat appellant daar niet zijn hoofdverblijf had. De omstandigheid dat appellant ten tijde van het huisbezoek al ruim acht jaar op het opgegeven adres stond ingeschreven doet aan het voorgaande niet af.

4.4.

Uit wat onder 4.3 tot en met 4.3.3 is overwogen vloeit voort dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat appellant bij de aanvraag om bijstand onjuiste informatie over zijn hoofdverblijf heeft verstrekt. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de eerste aanvraag.

4.5.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in dit geval niet in stand worden gelaten en de Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Toepassing van een zogeheten bestuurlijke lus is in dit geval niet aangewezen aangezien het college nog geen volledig standpunt ten aanzien van het recht op bijstand van appellant heeft ingenomen. De Raad zal het college daarom opdragen om, met inachtneming van wat onder 4.4 is overwogen, een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen op de bezwaren van appellant tegen het besluit van 3 maart 2014 en wel binnen een termijn van acht weken. Bij dat besluit zal het college ook moeten beslissen op het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met te late betaling van bijstand, en wel overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

Tweede aanvraag

4.6.

De ter zake van de afwijzing van de tweede aanvraag te beoordelen periode loopt van

12 maart 2014 (de datum van melding) tot en met 10 april 2014 (de datum van het besluit op de aanvraag).

4.7.

Wat onder 4.3 tot en met 4.4 is overwogen brengt met zich mee dat aan appellant in beginsel met ingang van 8 december 2013 bijstand toekomt, zodat achteraf bezien een nieuwe aanvraag om bijstand niet nodig was. De Raad zal daarom ook het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover deze zien op de tweede aanvraag. Voorts zal de Raad, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 10 april 2014 herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 juli 2014;

- herroept het besluit van 10 april 2014;

- draagt het college op binnen acht weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak

met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant

tegen het besluit van 3 maart 2014 te nemen en op het verzoek van appellant om

schadevergoeding;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J.L. Meijer

HD