Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4405

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
13-6736 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6736 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

6 november 2013, 13/389 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.P. Lemmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is gevoegd met de zaak 13/6748 WWB ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 oktober 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. In de zaak

13/6748 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het college de bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van appellant met ingang van de datum van opschorting van de bijstand,

15 september 2011, ingetrokken. Voorts heeft het college bij dit besluit tevens de bijstand over de periode daaraan voorafgaand met ingang van 15 juni 2010 ingetrokken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat door het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, waaronder het niet verstrekken van informatie in verband met de aankoop van een auto door appellant, het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen. Het college heeft het bezwaar tegen dit besluit in verband met het niet indienen van de gronden van het bezwaar bij besluit van 19 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.2.

Op 27 juli 2012 heeft appellant het college verzocht om terug te komen van het besluit van 13 oktober 2011. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij bij een nieuwe aanvraag om bijstand wel duidelijk heeft kunnen maken dat hij ook vanaf 15 juni 2010 recht heeft gehad op bijstand. Voorts heeft hij gesteld dat hij niet heeft onderkend dat de bijstand bij besluit van

13 oktober 2011 (ook) per 15 juni 2010 was ingetrokken.

1.3.

Bij besluit van 15 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit), heeft het college dat verzoek afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant het voor het college kennelijk belangrijkste stuk, op grond waarvan hij heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 13 oktober 2011, de aankoopnota van een auto, ook in een eerder stadium had kunnen inbrengen. Dat appellant per een latere datum opnieuw bijstand is toegekend, maakt dit niet anders. Nu appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld kon het college met verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek om herziening afwijzen. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 27 juli 2012 strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn besluit van 13 oktober 2011.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen.

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Ter ondersteuning van zijn verzoek van 27 juli 2012 heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde van de eerdere besluitvorming niet beschikte over het aankoopbewijs van een door hem gekochte auto en daarover pas bij de nieuwe aanvraag om bijstand van 31 januari 2012 beschikte.

4.5.

Dit zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien appellant dit, zo heeft het college in het bestreden besluit terecht opgemerkt, ook eerder naar voren had kunnen brengen. Appellant had in het stadium dat hem door het college om een aankoopbewijs van de auto was gevraagd immers contact kunnen opnemen met het college om tekst en uitleg te geven over het ontbreken van die nota en om uitstel voor het inleveren van dit bewijsstuk kunnen verzoeken. De Raad laat in het midden in hoeverre appellant, gelet op de datering 22 april 2011 van het aankoopbewijs, al niet eerder dan bij de aanvraag op

31 januari 2012 over dit bewijs had kunnen beschikken.

4.6.

Het college mocht het verzoek van appellant van 27 juli 2012 dan ook afwijzen met verwijzing naar het besluit van 13 oktober 2011. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het college in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.M. Fleuren

HD