Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
14-3716 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Redelijke grond voor huisbezoek; vooraf in details bekendmaken. Aanvullend karakter nieuw huisbezoekregiem.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/22
USZ 2016/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3716 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2014, 13/8287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 26 juni 2013 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Zij heeft daarbij als haar verblijfadres opgegeven [adres] (opgegeven adres). Op het aanvraagformulier heeft appellante bij de beantwoording van vraag 4.1 (“Wat is uw samenlevingssituatie”) aangekruist “Ik ben alleenwonend, er wonen geen andere personen (volwassenen of kinderen) op mijn verblijfadres”. Bij de aanvraag heeft appellante een huurcontract ingeleverd waarin is opgenomen dat appellante per 1 juni 2013 van DMD verhuurkantoor het woonhuis op het opgegeven adres huurt voor een bedrag van € 550,- per maand.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een klantmanager van de afdeling ‘T&T Intake Inkomen Zuid’ van de gemeente Rotterdam (klantmanager) een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens. In het kader van het onderzoek heeft de klantmanager onder meer de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) en de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) geraadpleegd. Hieruit is naar voren gekomen dat op het opgegeven adres, behalve appellante, nog zes personen - drie volwassenen en drie kinderen - stonden ingeschreven en dat de woning op dat adres een eengezins tussenwoning is met drie kamers en een oppervlakte van 162 m2.

1.3.

Op 26 augustus 2013 heeft het college aan appellante een voorschot verstrekt van

€ 1.429,42.

1.4.

Op 5 oktober 2013 heeft de klantmanager samen met een collega, beide werkzaam bij de gemeente Rotterdam, een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres. Appellante heeft toestemming verleend voor het huisbezoek. Het verloop en de bevindingen tijdens het huisbezoek zijn als volgt beschreven in de ‘Rapportage verslag huisbezoek met bijlage’ van 7 oktober 2013 (rapportage):

“Rapporteur en collega bellen aan en een meneer doet open. Wij legitimeren onszelf en rapporteur vraagt naar mevrouw [achternaam appellante]. Meneer vraagt of dit een dame van Hindoestaanse afkomst is. Rapporteur bevestigt dit en meneer roept [voornaam appellante] naar boven. Wij horen cliënt roepen tegen de meneer en zij geeft aan: “Zeg maar dat ik me aan moet kleden”. Na 7 a 8 minuten wachten begint rapporteur naar boven te roepen. Cliënt reageert niet en komt twee minuten daarna naar beneden. Rapporteur en collega legitimeren ons nogmaals en vertellen cliënt dat wij een huisbezoek komen afleggen. Cliënt vraagt of het geen andere keer kan, want het zou op dat moment niet gelegen komen. Cliënt is namelijk ziek geweest en zij moet het huis nog opruimen. Rapporteur en collega geven aan dat dit niet erg is en geven aan dat een andere keer niet mogelijk is. Rapporteur en collega vertellen aan cliënt dat zij het huisbezoek mag weigeren, maar dat dit gevolgen kan hebben voor de aanvraag. [...] Cliënt vraagt nogmaals of het huisbezoek niet een andere keer kan plaatsvinden. Wij geven aan van niet en cliënt geeft toestemming en cliënt tekent hier ook voor.

Cliënt gaat ons voor naar de eerste verdieping en geeft aan dat de gehele verdieping van cliënt is. Het betreft een ruimte waarin een keuken aanwezig is, een wasmand staat en twee deuren. De ene deur staat open, waarbij gezien kan worden dat het een badkamer is. De andere deur is gesloten. Cliënt geeft aan alleen te wonen en dat beneden vijf mensen zouden wonen. Rapporteur vraagt om te laten zien waar cliënt slaapt. Cliënt geeft aan dat zij de situatie nu heeft laten zien en geeft aan het raar te vinden dat wij onaangekondigd een huisbezoek komen afleggen. Verder vertelt cliënt dat wij nu alles hebben gezien en alles van cliënt weten en vraagt wederom of wij een andere keer willen terugkomen. Rapporteur vertelt dat er zeven personen ingeschreven staan en dat het huisbezoek als doel heeft om te verifiëren dat cliënt alleen woont, zoals zij aangeeft.

Cliënt gaat ons voor naar de slaapkamer, waarvan de deur gesloten is. Rapporteur en collega zien een slaapkamer, waar ook een woonkamer is. Er staat een bed in, een grote wandkast, twee banken, een televisie etc. Niet de hele kamer is zichtbaar. Rapporteur en collega hebben twee stappen in de woonkamer/slaapkamer gezet en rapporteur vraagt naar de kleding van cliënt. Cliënt geeft aan dat ze dat te ver vindt gaan en wil het niet laten zien. De kast zou niet opgeruimd en niet gestreken zijn. Rapporteur geeft aan dat wij dit als een weigering zien en vraagt of cliënt het zeker niet wilt laten zien. Cliënt bevestigt nogmaals dat zij dit niet wilt laten zien en vraagt ons weer terug te gaan naar de ruimte van de keuken, daar zij het niet prettig vindt dat wij in die ruimte zouden praten. Dit vanwege het feit dat cliënt hier zou slapen. Rapporteur en collega hebben niet de gehele ruimte kunnen bekijken vanwege dit verzoek en dit ook verteld tegen cliënt. Er is minimaal een grote hoek in de kamer die rapporteur en collega niet hebben gezien.

Cliënt, rapporteur en collega gaan terug naar de ruimte en vertellen dat deze weigering zal betekenen dat de uitkering wordt afgewezen. Cliënt geeft aan dat zij een afspraak voor een andere keer wilt maken. Rapporteur en collega geven aan dat dit niet mogelijk is en dat de uitkering zal worden afgewezen. Cliënt vraagt of wij dan niet over een uur willen terugkomen, zodat cliënt kan opruimen. Rapporteur en collega geven aan dat wij het behoorlijk opgeruimd vinden en dat wij hier geen reden toe zien. Ook leggen wij uit dat er dan een situatie kan worden gecreëerd, wat niet de bedoeling is. Cliënt geeft aan dat zij het niet wil laten zien, omdat er kleding van haar ex-man zou liggen in de kast. Rapporteur en collega geven aan dat dit routinevragen zijn en dat cliënt erop zou moeten kunnen vertrouwen dat rapporteur en collega kundig en vaardig genoeg zijn om het onderscheid te kunnen zien dat er spullen van de ex-man zouden liggen of dat de ex-man er zou wonen. [...] Cliënt geeft wederom aan dat zij dit privé vindt en wil het huisbezoek niet verder voortzetten. Rapporteur en collega vertellen nogmaals dat de uitkering zal worden afgewezen. Rapporteur geeft aan dat cliënt even een paar minuten kan nadenken over de gevolgen van de weigering en of dat hetgeen is wat cliënt wilt. Cliënt geeft aan dat dit niet nodig is en zij niet verder wenst te gaan met het huisbezoek. [...]”

1.5.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 7 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand van appellante afgewezen en het verstrekte voorschot van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft op 5 oktober 2013 niet meer willen meewerken aan het huisbezoek dat was bedoeld om inzicht te krijgen in haar woon- en leefsituatie. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Gelet daarop is het verstrekte voorschot terecht teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek aan het opgegeven adres en dat bovendien haar woonsituatie, zo daarover twijfel zou kunnen bestaan, eerst op een minder belastende wijze had kunnen worden geverifieerd, namelijk door haar uit te nodigen op kantoor en te bevragen over haar woonsituatie. Daarnaast voert appellante aan dat haar voorafgaand aan het huisbezoek kenbaar had moeten worden gemaakt wat de redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek. Pas in het bestreden besluit is de redelijke grond uitgewerkt en dat is te laat.

4.2.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.3.

Met de rechtbank en anders dan appellante is de Raad van oordeel dat sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek op het opgegeven adres. Appellante had zich immers gepresenteerd als alleenwonende en had een huurcontract ingeleverd dat niet uitwees dat zij slechts een gedeelte van de woning huurde, terwijl op het opgegeven adres zeven personen stonden ingeschreven en de woning op dat adres een eengezinswoning is. Op grond hiervan kon redelijkerwijs worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woon- en leefsituatie. Deze situatie kon niet op een andere, voor appellante minder belastende, wijze worden geverifieerd dan door het afleggen van een huisbezoek. Anders dan appellante meent, rust op het college niet de verplichting om voorafgaand aan het huisbezoek tot in alle details aan betrokkene bekend te maken waarop de redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek precies berust en daarover (afzonderlijk) te rapporteren. Het college kan volstaan met een globale aanduiding van die grond. Wel moet zijn voldaan aan het vereiste van “informed consent”, maar tussen partijen is niet in geschil dat aan dat vereiste is voldaan. Gelet hierop slagen de in 4.1 verwoorde beroepsgronden niet.

4.4.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat, nu het hier gaat om een situatie als bedoeld in artikel 53a, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, het college aan haar, gelet op het vierde lid van dit artikel, de mogelijkheid had moeten geven om tegenbewijs te leveren.

4.5.

Artikel 53a, tweede tot en met het zesde lid, van de WWB zijn per 1 januari 2013 ingevoerd bij de Wet van 4 oktober 2012, Stb. 2012, 463, houdende een regeling in de sociale zekerheid van de rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek (Wet). Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat zijn feitelijke woonsituatie in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres. Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan het college bij dat verzoek de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden.

Het vierde lid luidt als volgt:

“Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de bijstand op, niet dan nadat het college aan belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien daartoe niet eerder aan belanghebbende gelegenheid is geboden.”

4.6.

Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand.

4.7.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1799), blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet dat met de invoering daarvan niet is beoogd de waarborgen van artikel 8 van het EVRM, zoals die in de onder 4.6 aangehaalde rechtspraak zijn geformuleerd, te beperken. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 929, nr. 3, blz. 3) kan worden afgeleid dat dit wetsvoorstel aansluit bij deze rechtspraak, gelet op de volgende passage:

“Het wetsvoorstel is aanvullend op de huidige situatie: als er namelijk in een bepaald geval wel gerede twijfel is over de juistheid van de verstrekte gegevens over de leefsituatie, is op grond van de bestaande jurisprudentie al mogelijk bij het weigeren van toestemming tot binnentreden de uitkering als sanctie in te trekken.”

Uit deze passage kan worden afgeleid dat de bedoeling van de wetgever met de invoering van artikel 53a, tweede tot en met het zesde lid, van de WWB niet verder heeft gestrekt dan deze zelfde gevolgen te kunnen verbinden aan die situaties waarin geen sprake was van gerede twijfel over de verstrekte gegevens over de woon- en leefsituatie.

4.8.

Zoals is overwogen in 4.3, was in het geval van appellante wel sprake van dergelijke twijfel. Nu voorts was voldaan aan het vereiste van “informed consent”, heeft het college in dit geval de waarborgen van artikel 8 van het EVRM in acht genomen. In aanmerking genomen dat het college het reeds vóór 1 januari 2013 bestaande regime voor het afleggen van huisbezoeken heeft toegepast en in aanmerking genomen wat in 4.7 is overwogen over het aanvullend karakter van het per die datum ingevoerde huisbezoekregime, bestond voor het college geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 53a, vierde lid, van de WWB, nog daargelaten dat van een aanbod van een huisbezoek als bedoeld in het tweede lid van dat artikel geen sprake was. Dit leidt ertoe dat de in 4.4 verwoorde beroepsgrond evenmin slaagt.

4.9.

Verder heeft appellante aangevoerd dat de rapportage met onvoldoende waarborgen is omkleed om er vanuit te kunnen gaan dat de daarin opgenomen verslaglegging van het huisbezoek een juiste en volledige weergave is van de gang van zaken tijdens het huisbezoek. Zo is appellante geen bedenktijd gegeven bij het huisbezoek. Daarbij wijst zij erop dat het huisbezoek is afgelegd door klantmanagers, die pas achteraf een niet in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal neergelegde rapportage hebben opgesteld.

4.10.

Deze - ook reeds in beroep aangevoerde - beroepsgrond slaagt niet. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de rapportage, die nauwkeurige beschrijvingen bevat en kort na het huisbezoek is opgesteld en door beide klantmanagers is ondertekend. De enkele omstandigheid dat de rapportage met de bevindingen van het huisbezoek niet is opgenomen in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal is, anders dan appellante veronderstelt, geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de rapportage. In de rapportage staat duidelijk dat de klantmanagers appellante, nadat zij kenbaar had gemaakt niet te willen dat het huisbezoek zou worden voortgezet, nog een bedenktijd hebben gegeven, maar dat appellante dit niet nodig vond.

4.11.

Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij wel voldoende medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. Zij heeft immers de klantmanagers die het huisbezoek hebben afgelegd toegang verleend tot haar woning. De klantmanagers hebben de keuken en overige ruimten geheel bezien. Het was niet nodig in de kledingkast te kijken, aangezien geen spullen van de ex-partner in de woning van appellante zijn aangetroffen. Op basis van de bevindingen van het huisbezoek was het volgens appellante mogelijk om het recht op bijstand vast te stellen.

4.12.

Vaststaat dat de klantmanagers die het huisbezoek hebben afgelegd niet de gehele

slaap-/woonkamer hebben gezien en ook niet de inhoud van de kledingkast hebben kunnen zien. Hiermee is gegeven dat appellante onvoldoende medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. Juist vanwege de verklaring van appellante dat er nog kleding van haar ex-partner in de kledingkast lag, terwijl zij en haar ex-partner al medio 2011 uit elkaar waren gegaan en appellante die kleding desondanks had meeverhuisd naar het opgegeven adres, was er alle reden om van appellante te verlangen inzage te verlenen in de kledingkast en om de gehele slaap-/woonkamer te laten zien. De door appellante tijdens het huisbezoek gegeven redenen om verdere medewerking aan het huisbezoek te weigeren, acht de Raad - in aanmerking genomen het onmiskenbare verificatiebelang om tijdens het huisbezoek inzage in de kledingkast te verkrijgen en de gehele slaap-/woonkamer te zien - niet van zodanig zwaarwegende aard, dat daarvan zou moeten worden afgezien. Appellante kan dan ook worden tegengeworpen dat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende medewerkingsverplichting door geen inzage te verschaffen in de kledingkast en niet de gehele slaap-/woonkamer te laten zien. Aangezien de reeds bestaande twijfel aan de woon- en leefsituatie van appellante tijdens het huisbezoek niet is weggenomen - en eerder is

versterkt -, kan als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand in de hier te beoordelen periode, die loopt van 22 mei 2013, de datum waarop appellante zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 7 oktober 2013, de datum van het afwijzingsbesluit, niet worden vastgesteld. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijstand van appellante terecht heeft afgewezen.

4.13.

Uit 4.12 volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB de verstrekte voorschotten van appellante terug te vorderen. Appellante heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Zij heeft in dat verband het volgende naar voren gebracht. Het college heeft appellante per 11 oktober 2013 wel bijstand verleend. De aanvraagperiode daaraan voorafgaand heeft lang geduurd. Dit heeft er financieel gezien flink bij appellante ingehakt, aangezien zij een lange periode zonder geld heeft gezeten.

4.14.

Het college hanteert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daartoe een dringende reden aanwezig is. Daarvan kan sprake zijn indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. De door appellante gestelde financiële problemen vormen geen dringende reden om van terugvordering af te zien, te minder omdat zij als schuldenaar in ieder geval bescherming kan inroepen van de wettelijke regels over de beslagvrije voet als bedoeld in artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.15.

Uit 4.3, 4.8, 4.10, 4.12 en 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.L. Meijer

HD