Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
13/2169 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van appellant kan niet worden beschouwd als een nieuwe aanvraag waarop het Uwv een afzonderlijk besluit had moeten nemen. Nu zich niet de in de artikelen 6:2 en 6:12, tweede lid, van de Awb voorziene situatie voordoet dat het Uwv in gebreke was tijdig een besluit te nemen, stond geen beroep open bij de rechtbank en had het inleidende beroep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet om die reden worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2169 WAO

Datum uitspraak: 27 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

22 maart 2013, 12/1867 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

De zaak is gevoegd met de zaak 13/2171 WAO ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 december 2014. Partijen zijn niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens gevoegd met de zaak 13/2171 WAO plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Namens appellant is verschenen mr. Grégoire. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Als getuige is gehoord

[X.] te [woonplaats], echtgenote van appellant. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft met ingang van 1 januari 1985 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, welke laatstelijk is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2.

Appellant heeft zich op 16 december 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het Uwv beslist dat appellant vooralsnog geen recht heeft op een verhoging van zijn uitkering. Appellant is daarbij medegedeeld dat voor deze melding een wachttijd van 104 weken geldt, hetgeen betekent dat zijn WAO-uitkering eerst met ingang van 14 december 2011 kan worden verhoogd. Ook is daarbij medegedeeld dat appellant, als hij van mening is dat er in juli/augustus 2011 nog steeds sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, een nieuw schriftelijk verzoek kan indienen. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 19 januari 2010.

1.3.

Op 5 januari 2010 heeft appellant zich ziek gemeld bij zijn werkgever. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

28 november 2011 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 januari 2012 herzien op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op die datum 35 tot 45% was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 14 augustus 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 maart 2013 het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant is tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen, welke zaak is geregistreerd onder het nummer 13/2171 WAO.

2.1.

Appellant heeft op 30 oktober 2012 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door het Uwv op zijn melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van

16 december 2009.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dit beroep van appellant ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is uit de stukken niet gebleken dat appellant een nader verzoek tot ophoging van zijn WAO-uitkering heeft gedaan.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte geen besluit is genomen over zijn aanspraak op een WAO-uitkering na het voltooien van de wachttijd vanaf

16 december 2009. Ten onrechte heeft de rechtbank daarbij gesteld dat appellant geen

WAO-uitkering heeft aangevraagd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant in beroep heeft kunnen gaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Uwv. Daarbij zijn van belang de vraag of appellant een aanvraag heeft ingediend en, indien het antwoord hierop bevestigend luidt, de vraag of het Uwv daarop een besluit heeft genomen. Indien die laatste vraag ontkennend wordt beantwoord, dient de vraag te worden beantwoord of appellant het Uwv op de juiste wijze in gebreke heeft gesteld alvorens hij beroep heeft ingesteld.

4.2.1.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat beroep bij de rechtbank open.

4.2.2.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4.2.3.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

4.2.4.

Ingevolge artikel 86b, eerste lid, van de WAO worden de beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen, onverminderd artikel 87 WAO, gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.

4.3.

Ten aanzien van de vraag of appellant een aanvraag heeft ingediend bij het Uwv wordt gewezen op de in eerste aanleg door appellant overgelegde brief van 30 mei 2012 en een bewijs van aangetekende verzending van deze brief. In de brief van 30 mei 2012 is namens appellant gesteld dat hij in 2011 een aanvraag heeft ingediend voor een uitkering ter zake van de melding op 19 december 2009. Het Uwv heeft in hoger beroep erkend dat het de brief van 30 mei 2012 heeft ontvangen, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat daarop is gereageerd met het besluit van 14 augustus 2012. In 2011 heeft het Uwv geen verzoek van appellant ontvangen.

4.4.

Het Uwv kan gevolgd worden in zijn standpunt dat appellant in 2011 geen aanvraag heeft ingediend om wijziging van zijn WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 16 december 2009. Onder de gedingstukken bevindt zich weliswaar een formulier “Wijzigingen doorgeven”, dat door appellant op 21 oktober 2011 is ondertekend, maar op dit formulier heeft appellant echter niets aangekruist en niets toegelicht. Uit dit formulier had het Uwv niet behoeven op te maken dat appellant een wijziging beoogde van zijn WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 16 december 2009.

4.5.

Appellant heeft op 1 december 2011 bezwaar gemaakt tegen het herzieningsbesluit van 28 november 2011. In de brief van 15 februari 2012 met aanvullende gronden heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij zich op 16 december 2009 heeft gemeld bij het Uwv en dat een besluit per einde wachttijd met de datum 14 december 2011 ontbreekt. Vervolgens heeft appellant op 30 mei 2012 een brief van gelijke strekking aan het Uwv gestuurd. Het Uwv heeft de brief van 30 mei 2012 van appellant zo opgevat en ook zo mogen opvatten dat appellant in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 28 november 2011 het standpunt innam dat hij het niet eens was met de herziening van zijn WAO-uitkering per

7 januari 2012 en dat hij een eerdere herzieningsdatum wenste. Deze bezwaargrond van appellant is besproken in het besluit op bezwaar van 14 augustus 2012, waarin het Uwv het standpunt heeft ingenomen dat het uitgaat van de door de werkgever verstrekte gegevens. Dat dit standpunt van het Uwv een ontoereikende motivering vormde van dat besluit, zoals de Raad in zijn tussenuitspraak van 12 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:12) heeft vastgesteld, doet aan deze conclusie niet af. Appellant heeft met de in de vermelde bezwaargrond vervatte stelling in rechte kunnen opkomen tegen het besluit van 28 november 2011 en heeft dat ook gedaan. De brief van appellant van 30 mei 2012 kan dan ook niet worden beschouwd als een nieuwe aanvraag waarop het Uwv een afzonderlijk besluit had moeten nemen.

4.6.

Nu zich niet de in de artikelen 6:2 en 6:12, tweede lid, van de Awb voorziene situatie voordoet dat het Uwv in gebreke was tijdig een besluit te nemen, stond geen beroep open bij de rechtbank en had het inleidende beroep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet om die reden worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) J.R. van Ravenstein

NK