Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
14/5534 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Geen aanleiding bestaat de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onjuist of onzorgvuldig te houden. Juistheid FML. Geschiktheid functies. Dat de bedrijfsarts appellante in december 2012 meer beperkt heeft geacht dan de verzekeringsartsen, kan, zeker bij het ontbreken - zoals in dit geval - van medisch objectieve gegevens die het aannemen van meer beperkingen aangewezen doen zijn, niet leiden tot het oordeel dat de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist moeten worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5534 WIA

Datum uitspraak: 27 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

25 augustus 2014, 13/2186 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld en daarbij een nader medisch stuk ingediend.

In reactie op een vraag van de Raad heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 oktober 2015 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter, [naam dochter] , en mr. E. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster voor 16,59 uur per week. Voor dit werk is zij op 20 juni 2011 uitgevallen vanwege vermoeidheidsklachten als gevolg van microcytaire anemie. Na een auto ongeval in december 2011 had zij tevens nek-, schouder- en hoofdpijnklachten. Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 17 juni 2013 geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontstaat omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Aan dit besluit ligt een door een verzekeringsarts van het Uwv in het kader van een zogenoemde einde wachttijd-beoordeling vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2013 ten grondslag. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 mei 2013 is, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 18 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv haar mogelijkheden tot het verrichten van arbeid heeft overschat. Ten onrechte is er geen urenbeperking opgenomen in de FML. Voorts heeft de bedrijfsarts appellante meer beperkt geacht. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben ten onrechte de door de bedrijfsarts aangenomen beperkingen niet opgenomen in de FML.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft op het spreekuur van 22 april 2013 vastgesteld dat bij onderzoek van de cervicale wervelkolom alle bewegingen volledig mogelijk zijn. Appellante kan haar schouders ongestoord bewegen. Aan ellebogen, handen en polsen zijn geen bewegingsbeperkingen waarneembaar. Voorts is er volgens deze arts geen noodzaak voor een urenbeperking. Appellante heeft geen ernstige aandoening die leidt tot een verminderd basaal energetisch vermogen. Ook is appellante niet verminderd beschikbaar voor arbeid omdat zij een therapie moet ondergaan. Evenmin is er een preventieve indicatie voor een urenbeperking omdat volledig werken in passende arbeid zou leiden tot schade aan de gezondheid. De bevindingen van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bieden geen aanknopingspunten voor het aannemen van ernstige psychopathologie. Appellante heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zeer forse klachtenpresentatie waarbij een groot onvermogen wordt gepresenteerd. Er is een discrepantie tussen deze presentatie en de beperkingen die in redelijkheid uit de onderhavige pathologie voortvloeien. Bij het onderzoek worden geen ernstige beperkingen vastgesteld die het onvermogen volledig kunnen verklaren. Ook de behandelende artsen konden geen medisch objectiveerbare verklaring vinden voor de klachten. Geen aanleiding bestaat de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onjuist of onzorgvuldig te houden. Appellante heeft ook geen medische stukken ingediend die aanleiding geven voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Het op oktober 2015 overgelegde rapport van I-psy van 8 december 2014 bevat immers dezelfde informatie als de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de bezwaarprocedure reeds beoordeelde brief van I-psy van 21 oktober 2013

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039) is het de taak van uitsluitend de verzekeringsarts om de beperkingen van verzekerden in kaart te brengen en vast te leggen in een FML en is de verzekeringsarts daarbij niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Ook is in die uitspraak overwogen dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen, dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Dat de bedrijfsarts appellante in december 2012 meer beperkt heeft geacht dan de verzekeringsartsen, kan, zeker bij het ontbreken - zoals in dit geval - van medisch objectieve gegevens die het aannemen van meer beperkingen aangewezen doen zijn, niet leiden tot het oordeel dat de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist moeten worden gehouden.

4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is in het rapport van die arbeidsdeskundige van 14 november 2013 voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 oktober 2015 naar aanleiding van vragen van de Raaddeugdelijk nader gemotiveerd dat de functie inpakker (handmatig) (SBC-code 111190), ondanks de in die functie voorkomende belasting op het aspect 5.7 boven schouderhoogte actief zijn, in medisch opzicht passend is voor appellante. Het gaat volgens dit rapport in die functie om het stapelen van dozen op een pallet tot 2 meter hoogte waarbij deels telkens enkele seconden aaneen boven schouderhoogte wordt gewerkt.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend)

UM