Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
13/6303 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Als sprake is van een verzoek waarbij ook voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, dan moet de aanvraag deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs op basis waarvan het Uwv kan onderzoeken of het oorspronkelijk besluit onjuist was.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Ziektewet
Ziektewet 19
Ziektewet 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/16
RSV 2016/20
USZ 2016/18 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6303 ZW

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 oktober 2013, 13/1254 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U. Ugur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. L. Leenders, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2015. Namens appellant is verschenen mr. K. Aslan, kantoorgenoot van mr. Leenders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker. Hij heeft nadien een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Appellant heeft zich met ingang van 13 oktober 2011 bij het Uwv ziek gemeld in verband met klachten aan zijn nek, rug en linkerarm alsmede hoofdpijn en psychische klachten in verband met een auto-ongeval in 2009. Op 30 november 2011 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts is na het inwinnen van informatie van de behandelend sector tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 15 december 2011 geschikt is voor zijn laatst verrichte werk. Bij besluit van 12 december 2011 heeft het Uwv met ingang van 15 december 2011 het recht op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd.

1.2.

Appellant heeft zich met ingang van 16 december 2011 opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 27 december 2011 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de ZW toe te kennen, omdat appellant reeds per 15 december 2011 hersteld was verklaard. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 29 februari 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.3.

Bij brief van 23 maart 2012 heeft appellant het Uwv verzocht om herziening van de beëindiging van ziekengeld per 15 december 2011.

1.4.

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 12 december 2011 op de aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende grond dat appellant bij zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, zodat het besluit van 12 december 2011 onverkort gehandhaafd blijft. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 29 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Voor de motivering van het bestreden besluit is verwezen naar een rapport van 18 januari 2013 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat wel degelijk nieuwe informatie over zijn klachten bekend is geworden na het besluit van 12 december 2011 en dat hij daarvan voldoende bewijs heeft geleverd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar informatie van een revalidatiearts van 10 februari 2012, een

GZ-psycholoog van 12 maart 2012 en een anesthesioloog van 15 januari 2013. Die informatie is volgens appellant niet meegenomen door de verzekeringsarts die zijn gezondheidstoestand destijds heeft beoordeeld. Voorts heeft appellant verwezen naar in beroep overgelegde informatie van de GZ-psycholoog van 22 maart 2013 en 27 maart 2013. Uit deze informatie blijken nieuwe diagnosen en andere klachten dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. Nu deze diagnosen niet zijn beoordeeld, is ten aanzien van het aannemen van beperkingen in strijd gehandeld met de verzekeringsgeneeskundige protocollen Angststoornissen en Whiplash associated disorder I en II.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Desgevraagd heeft het Uwv bij zijn brief van 22 april 2015 te kennen gegeven dat de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) geen aanleiding geeft in de onderhavige zaak een ander standpunt in te nemen dan is gedaan in het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 12 december 2011 is in rechte onaantastbaar geworden, omdat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen dit besluit. Volgens vaste rechtspraak is op een verzoek als dat van appellant artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing (uitspraak van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1806).

4.2.

Aan de uitspraak van 14 januari 2015, genoemd in 3.2, wordt het volgende ontleend. Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

Een aanvraag voor een uitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld.

4.3.

Namens appellant is in het verzoek van 23 maart 2012 het volgende gesteld: “(…) Nu het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, heeft cliënt zijn inhoudelijke bezwaren niet naar voren kunnen brengen. Cliënt is thans niet in staat arbeid te verrichten. Het UWV wordt derhalve verzocht terug te komen van haar besluit van 27 december 2011. Volgens de rechtspraak is men daarbij gehouden nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden te vermelden. (…)” Zoals ter zitting met partijen is besproken, strekt het verzoek van appellant ertoe dat het Uwv terugkomt van het besluit van 12 december 2011 tot beëindiging van zijn ZW-uitkering per 15 december 2011.Volgens appellant was hij toen nog steeds arbeidsongeschikt. De aanvraag van appellant moest overeenkomstig zijn strekking ook worden opgevat als een verzoek om herziening van de beëindigde ZW-uitkering voor de periode na de melding van 23 maart 2012 omdat hij zich ook toen nog arbeidsongeschikt achtte. Een nieuwe ziekmelding is in het verzoek van appellant van 23 maart 2012 niet te lezen.

4.4.1.

Voor zover het verzoek van appellant strekt tot het terugkomen van het besluit van

12 december 2011 en daarmee ziet op een periode voorafgaande aan de aanvraag heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de in 3.1 genoemde informatie uit 2012 en 2013 van de

GZ-psycholoog, de revalidatiearts en de anesthesioloog niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu daaruit geen nieuwe medische inzichten blijken over de voor appellant in 2011 geldende beperkingen voor het verrichten van zijn arbeid. Zoals eerder is overwogen (uitspraak van 20 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2626) is een andere diagnostische interpretatie van reeds bekende feiten en omstandigheden niet aan te merken als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Uit de onderliggende stukken blijkt dat de verzekeringsartsen steeds rekening hebben gehouden met de eerdergenoemde klachten van appellant en met de uit die klachten voortvloeiende beperkingen.

4.4.2.

De door appellant in beroep ingezonden informatie van zijn GZ-psycholoog van maart 2013 dient gelet op de aard van de toetsing van dit onderdeel van de aanvraag buiten beschouwing te worden gelaten. In zaken waarop artikel 4:6 van de Awb (analoog) van toepassing is, kunnen stukken die betrokkene eerst in beroep of hoger beroep heeft overgelegd niet bij de rechterlijke beoordeling worden betrokken (uitspraak van 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674).

4.4.3.

Het Uwv was daarom bevoegd om het verzoek van 23 maart 2012 om herziening van het besluit van 12 december 2011 tot beëindiging van de ZW-uitkering per 15 december 2011 onder verwijzing naar dat besluit af te wijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uitoefening van deze bevoegdheid de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.5.1.

Voor zover het verzoek strekt tot herziening voor de toekomst wordt het volgende overwogen. Het Uwv heeft zich in het bestreden besluit beperkt tot de vraag of er voor appellant aanspraak op uitkering bestaat overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft in het bestreden besluit verzuimd te beoordelen of wat door appellant is aangevoerd leidt tot de vaststelling dat het besluit van 12 december 2011 onjuist is en, zo daarvan sprake is, een belangenafweging te maken als bedoeld in 4.2.1. Om die reden is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en dit voor vernietiging in aanmerking komt. Nu dat door de rechtbank niet is onderkend, moet de aangevallen uitspraak eveneens worden vernietigd. Bezien zal worden of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.5.2.

Als sprake is van een verzoek waarbij ook voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, dan moet de aanvraag deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs op basis waarvan het Uwv kan onderzoeken of het oorspronkelijk besluit onjuist was.

4.5.3.

Ter definitieve beslechting van het geschil wordt het volgende overwogen. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn verzoek verwezen naar informatie over een revalidatietraject dat hij heeft gevolgd van 19 december 2011 tot en met 7 februari 2012 in verband met een postwhiplashsyndroom. De revalidatiearts heeft op 10 februari 2012 geschreven dat appellant als gevolg van pijnklachten niet goed inzetbaar is voor arbeid. In de door appellant ingezonden brief van 12 maart 2012 van de GZ-psycholoog, is als diagnose gesteld PTSS, comorbide met een gegeneraliseerde angststoornis en een somatoforme stoornis bij ontwijkende gedragspatronen in de persoonlijkheid. In de eveneens ingezonden brief van

15 januari 2013 van de anesthesioloog, stelt deze een forse cervicobrachialgie links vast.

4.5.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 18 januari 2013,

26 april 2013 en 22 april 2015 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de medische informatie over appellants fysieke en psychische klachten volledig overeenkomt met de eerdere bevindingen van de verzekeringsarts bij diens medisch onderzoek op 30 november 2011. De fysieke klachten zijn gelijk gebleven. De in maart 2012 dringend noodzakelijk geachte psychiatrische behandeling heeft appellant niet ondergaan en de medische toestand is hierna niet verslechterd. Andere professionals vonden geen PTSS of opvallende psychiatrische aandoeningen en bij eigen onderzoek op 16 januari 2013 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen opvallende kenmerken van PTSS of ernstige angststoornissen tegengekomen. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geen duidelijk moment van toeneming van beperkingen, noch van andere relevante wijzigingen die een toekenning van ziekengeld na het besluit van 12 december 2011 noodzakelijk maken.

4.5.5.

Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op goede gronden uiteengezet dat de informatie van revalidatiearts, psychologen en anesthesioloog geen gegevens bevat die ertoe kunnen leiden dat met ingang van 23 maart 2012 het besluit van 12 december 2011 zou moeten worden herzien. Het oorspronkelijke besluit is immers niet onjuist gebleken. Voor zover appellant voorts - ondanks de bewoordingen in zijn verzoek - de bedoeling heeft gehad een nieuwe ziekmelding te doen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er na de hersteldverklaring per 15 december 2011 geen moment is aan te wijzen waarop appellant wederom ongeschikt is geworden voor het verrichten van zijn arbeid.

4.6.

In het vorenstaande ligt besloten dat de aanvraag van appellant ook voor wat betreft de toekomst, dient te worden afgewezen. Dit betekent dat onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zullen worden gelaten.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep ter hoogte van € 980,- en in hoger beroep ter hoogte van € 980,-, totaal € 1.960,-.

6. Appellant heeft zijn verzoek om schadevergoeding niet onderbouwd. Voor toewijzing van schade in de vorm van wettelijke rente is gelet op het over de ZW-uitkering gegeven oordeel geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 29 januari 2013;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M. Greebe en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) V. van Rij

AP