Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
13-6197 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Het college heeft het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet toereikend hersteld. Weliswaar zijn de vervoersbeperkingen van appellante en haar vervoersbehoefte in kaart gebracht, maar de wijze waarop zij daarin volgens het college kan voorzien is niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6197 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

22 oktober 2013, 13/729 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (college)

Datum uitspraak: 25 november 2015

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 2 april 2014 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2014:1145).

Bij brief van 27 juni 2014 heeft het college de Raad bericht over de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven.

Namens appellante heeft mr. K.E. Wielenga bij brief van 9 juli 2014 een reactie ingezonden.

Het college heeft daarop bij brief van 15 augustus 2014 gereageerd.

Bij brief van 24 februari 2015 heeft de Raad aan het college een nadere vraag gesteld.

Het college heeft daarop bij brief van 17 april 2015 geantwoord.

Namens appellante heeft mr. K.E. Wielenga daarop bij brief van 24 april 2015 gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden. Hij voegt hieraan het volgende toe.

1.1.

In de brief van 27 juni 2014 heeft het college verwezen naar een nader onderzoek, ingesteld door de MO-zaak, waarover op 16 juni 2014 is gerapporteerd. Het advies van de MO-zaak houdt in dat appellante niet in staat is om te fietsen of meer dan 100 tot 200 meter aan een stuk te lopen. Daardoor kan zij het openbaar vervoer niet bereiken. Zij gebruikt haar auto voor lokale bestemmingen als winkels, de huisarts en de tandarts, fysiotherapie en bezoeken aan haar kinderen en kleinkinderen in Leeuwarden. Met haar auto kan zij zich vervoeren naar bestemmingen tot op een afstand van 10 tot 15 kilometer. Op basis van haar vervoersbeperkingen is zij aangewezen op een vervoersvoorziening voor de korte, de middellange en de lange afstand. Voor deelname aan het collectief vervoer bestaan geen contra-indicaties. Wel dient de reisduur beperkt te zijn en is het gebruik van een taxibus gezien haar beperkingen in zitduur geen adequate oplossing. Het college heeft aan dit rapport de conclusie verbonden dat appellante zich voor verplaatsingen tot maximaal 10 tot 15 kilometer zelf met de auto kan verplaatsen. Voor verplaatsingen over langere afstanden doet zij in de praktijk een beroep op derden, aan wie zij daarvoor een kleine vergoeding betaalt. Nu appellante zelf haar vervoer blijkt te kunnen organiseren, is er geen vervoersbeperking die het college zou moeten compenseren. Nu appellante een beperkte vervoersbehoefte heeft, zullen haar kosten van vervoer beperkt zijn en niet afwijken van de kosten die anderen voor hun vervoer moeten maken.

1.2.

Appellante heeft aangevoerd dat familie en vrienden hebben aangegeven dat zij haar niet meer met het vervoer kunnen helpen. Collectief vervoer is voor haar niet geschikt omdat dit veelal omrijdt waardoor de ritten te lang gaan duren. De kosten van haar vervoer zijn aanmerkelijk omdat zij een totale vervoersbehoefte heeft van in ieder geval 1664 kilometer per jaar.

1.3.

Het college heeft in zijn brief van 15 augustus 2014 meegedeeld dat appellante voor afstanden boven 12 tot 15 kilometer gebruik kan maken van het collectief vervoer met de aantekening dat dit een gewone taxi moet zijn en de aanvulling dat de reisduur zo beperkt mogelijk moet zijn vanwege appellantes beperkingen in zitduur. Wat de kosten van het vervoer betreft, stelt het college zich op het standpunt dat gemeenten op grond van de Wmo niet gehouden zijn om meerkosten te vergoeden die een gehandicapte moet maken als gevolg van zijn beperkingen. Het college heeft in zijn brief van 17 april 2015 meegedeeld dat appellante niet in aanmerking komt voor een scootmobiel voor verplaatsingen over de hele korte afstanden, omdat zij een eigen auto heeft.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De Raad stelt voorop dat de periode in geding in dit geval loopt van 1 november 2012 tot 29 januari 2013, de datum van het bestreden besluit.

2.2.

Het college heeft het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet toereikend hersteld. Weliswaar zijn de vervoersbeperkingen van appellante en haar vervoersbehoefte in kaart gebracht, maar de wijze waarop zij daarin volgens het college kan voorzien is niet deugdelijk gemotiveerd. In de tussenuitspraak is overwogen dat de Raad collectief vervoer voor de korte afstand voor appellante niet adequaat vindt. In die uitspraak is ook overwogen dat het feit dat appellante een eigen auto heeft, waarin zij op de korte afstand zelf rijdt en op de langere afstanden zich door derden tegen een vergoeding laat vervoeren, niet zonder meer betekent dat appellante zelfredzaam is en dat er geen compensatieplicht zou bestaan. De inhoud van de brieven van 27 juni 2014, 15 augustus 2014 en 17 april 2015 van het college is hiermee niet in overeenstemming. Ten onrechte heeft het college daarin gesteld dat appellante voor de korte afstand gebruik kan maken van collectief vervoer in de vorm van een taxi. Verder heeft het college daarin ten onrechte het standpunt ingenomen dat nu appellante zelf haar vervoer blijkt te kunnen organiseren met haar eigen auto er geen vervoersbeperking is die het college zou moeten compenseren.

2.3.

Uit de tussenuitspraak en uit hetgeen is overwogen in 2.2 volgt dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit is gegrond en dat besluit wordt vernietigd.

2.4.

Nu het college bij herhaling niet in staat is gebleken om de bestreden besluitvorming deugdelijk te motiveren, ziet de Raad aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door aan te sluiten bij de vervoersvoorziening die tot 1 mei 2013 bestond, te weten een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto. Bepaald zal worden dat deze voorziening zal worden voortgezet tot het moment waarop deze door toekomstige besluitvorming zal worden gewijzigd of beëindigd.

3. Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. Deze worden voor rechtsbijstand begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, in totaal € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat deze uitsptraak in de plaats treedt van het bestreden besluit en beslist dat aan

appellante met ingang van 1 mei 2013 de financiële tegemoetkoming wordt voortgezet voor

het gebruik van de eigen auto;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag

van in totaal € 1.960,-;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 162,- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en R.M. van Male en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.D.F. de Moor

NK