Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
14/6176 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8847, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Geen recht meer op WGA-uitkering. De overwegingen van de rechtbank over de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de daaraan verbonden conclusie worden geheel onderschreven. Het oordeel van de rechtbank dat appellant, uitgaande van de voor hem vastgestelde FML, in medisch opzicht geschikt moet geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, wordt eveneens onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6176 WIA

Datum uitspraak: 25 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 november 2014, 14/2998 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tilburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als autotechnicus. Op 3 oktober 2006 is hij uitgevallen wegens hartklachten. Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 30 september 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Met ingang van 30 januari 2011 is appellant in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Met een brief van 28 augustus 2012 heeft appellant het Uwv verzocht om een herbeoordeling wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, omdat hij is geopereerd aan zijn rechterknie. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant onderzocht door een verzekeringsarts die in zijn rapport van 3 januari 2014 heeft vastgesteld dat appellant als gevolg van zijn knieklachten niet meer beperkingen heeft dan reeds zijn vastgesteld als gevolg van zijn hartklachten. Voorts heeft deze verzekeringsarts vastgesteld dat er geen medische argumenten (meer) zijn voor het opleggen van pregnante psychische beperkingen in gangbare arbeid. De door deze verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 januari 2014. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in een rapport van 9 januari 2014 tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor een vijftal andere functies. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport is bij besluit van 14 januari 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 15 maart 2014 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering.

1.3.

Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 15 maart 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 9 april 2014 te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de vastgestelde FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in zijn rapport van 23 april 2014 tot de conclusie gekomen dat appellant voor één van de vijf geselecteerde functies niet geschikt is. Hij heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op eveneens minder dan 35%. Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1.

Evenals in bezwaar heeft appellant in beroep gesteld dat hij meer beperkingen heeft als gevolg van zijn knieklachten dan zijn aangenomen. Daarbij heeft hij er op gewezen dat hij onlangs opnieuw is geopereerd aan zijn rechterknie. Voorts heeft hij gesteld dat hij nog steeds angstig is als gevolg van zijn hartklachten en dat hij tevens maagklachten heeft. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft, heeft hij nadere medische informatie ingebracht.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 juni 2014 te kennen gegeven dat hij in de gronden van appellant geen aanleiding ziet om meer beperkingen aan te nemen.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daartoe is overwogen dat dit onderzoek is gebaseerd op de anamnese, eigen onderzoek en opgevraagde informatie uit de behandelende sector. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen van 9 april 2014 en 16 juni 2014, geen aanleiding gezien om de medische component van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is bepaald op minder dan 35%. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank in onvoldoende mate heeft weerlegd dat hij als gevolg van zijn knieklachten meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen. Als gevolg van deze klachten is hij, ook na de knieoperatie, in het bijzonder beperkt ten aanzien van staan, traplopen en autorijden en dit klemt te meer daar het lang staan en autorijden in de geselecteerde functies (besteller post/pakketen auto) een belangrijke rol spelen. Voorts heeft hij gesteld dat zijn angst voor een hartinfarct nimmer met een intensieve psychische behandeling is weggenomen en dat het gegeven dat zich in familieverband verschillende overlijdensgevallen als gevolg van coronair lijden hebben voorgedaan, hem in ernstige mate verontrust. Hij vindt het onbegrijpelijk dat in de FML in het geheel geen restricties op de items persoonlijk en sociaal functioneren zijn opgenomen.

4.2.

Op de gronden van appellant heeft het Uwv gereageerd met rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van respectievelijk 8 en 14 september 2015.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De overwegingen van de rechtbank over de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de daaraan verbonden conclusie worden geheel onderschreven. Ook het oordeel van de rechtbank dat de vastgestelde beperkingen juist zijn vastgesteld, wordt onderschreven. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan niet worden vastgesteld dat de uit knieklachten van appellant voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. De stelling van appellant dat als gevolg van deze klachten op de items staan, traplopen en autorijden meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt aan de hand van (nadere) medische informatie. Voorts hebben de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd dat de angst van appellant voor een nieuw hartinfarct, zonder afwezigheid van psychopathologie, geen indicatie is voor vermijding van stress in rustige gangbare arbeid en daarom geen aanleiding vormt om beperkingen aan te nemen op de items persoonlijk en sociaal functioneren. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 april 2015, waarin deze arts een nadere uiteenzetting heeft gegeven over de stressbelasting van appellant en waarin hij heeft aangegeven dat appellant niet belast kan worden met werk waarin sprake is van veelvuldige langdurige stress, leidt niet tot een andersluidend oordeel.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank dat appellant, uitgaande van de voor hem vastgestelde FML, in medisch opzicht geschikt moet geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, wordt eveneens onderschreven. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 april 2014, waarin de signaleringen betreffende de belastende factoren van de functies voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn toegelicht. Tevens wordt verwezen naar het in hoger beroep overgelegde rapport van 8 april 2015 van deze arts, waaruit blijkt dat in deze functies geen sprake is van veelvuldige langdurige stress.

5.3.

Gelet op de overwegingen 5.1 en 5.2 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) V. van Rij

AP