Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
14/6057 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6057 WAO

Datum uitspraak: 25 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 september 2014, 14/5059 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van Gemeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gemeren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.E. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als inpakker/orderpicker. Op 27 augustus 2002 is hij, terwijl hij een uitkering op grond van Werkeloosheidswet ontving, uitgevallen wegens knieklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is hem met ingang van 27 augustus 2003 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Op 28 december 2011 heeft appellant zich ziekgemeld wegens linkerenkel- en rechterschouderklachten. Vervolgens is appellant op 26 november 2013 onderzocht door een verzekeringsarts die in een rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat appellant als gevolg van voormelde klachten en rugklachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 november 2013. Daarna is een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 10 december 2013 tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor een zestal functies. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 25 tot 35%. In overeenstemming met dit rapport is bij besluit van 16 december 2013 vastgesteld dat de aan appellant toegekende WAO-uitkering ongewijzigd blijft.

1.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 april 2014 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de vastgestelde FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 1 mei 2014 vastgesteld dat twee van de zes voor appellant geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn. Op basis van drie resterende functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 55 tot 65%. Bij besluit van 12 mei 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van

16 december 2013 gegrond verklaard en is met ingang van 24 december 2013 de WAO-uitkering verhoogd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2. In beroep heeft appellant gesteld dat hij vanwege zijn klachten de geselecteerde functies niet kan uitoefenen en dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij medische informatie overgelegd.

3. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep naar voren gebrachte gronden herhaald. Daarnaast heeft hij er op gewezen dat hij orthopedisch schoeisel aangemeten heeft gekregen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Geoordeeld wordt dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Appellant is op het spreekuur van de verzekeringsarts onderzocht en zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben bij de beoordeling van de medische situatie van appellant de beschikking gehad over informatie uit de behandelende sector. Voorts wordt op grond van de beschikbare medische gegevens het oordeel van de rechtbank, dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, onderschreven. Daarbij is in overweging genomen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de door appellant overgelegde informatie van de radioloog A.D. van Engelen van 3 juli 2014 niet ziet op de datum in geding. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

5.2.

Tevens wordt geoordeeld dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voldoende en inzichtelijk is gemotiveerd. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

1 mei 2014, waarin de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren in de functies voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn toegelicht.

5.3.

Gelet op de overwegingen 5.1 en 5.2 heeft de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) V. van Rij

AP