Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
13/4150 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft van meet af aan de onderzoekende artsen bewust misleid door, zowel in de presentatie van haar klachten als met de over haar door [naam psychiater] verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te (doen) wenden. De Raad onderschrijft dat er geen onderbouwing is voor het aanwezig zijn een ernstige psychiatrische aandoening op de datum in geding en dat de beperkingen in de FML van 21 maart 2012 juist zijn vastgelegd. De verstrekking van uitkering en toeslagen moet in een rechtstreeks oorzakelijk verband worden gezien met haar simulatie zodat er rechtens geen beletsel is om de WIA-uitkering en toeslagen met terugwerkende kracht per 2 september 2008 in te trekken. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4150 WIA

Datum uitspraak: 23 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 juni 2013, 12/1329 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hanenberg. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 12 juni 2006 wegens psychische klachten en vermoeidheid uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster. Volgens de verklaring van psychiater

[naam psychiater] van 29 september 2006 heeft appellante zich bij hem onder

medisch-psychiatrische behandeling gesteld.

1.2.

Na de aanvraag tot het ontvangen van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met verkorte wachttijd heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 13 februari 2007 onderzocht. De verzekeringsarts heeft ernstige psychiatrische stoornissen vastgesteld, maar niet op voorhand kunnen vaststellen dat er bij appellante sprake was van een duurzame situatie. Vanwege het medicijngebruik en de psychiatrische behandeling was de verwachting dat de belastbaarheid nog zou verbeteren. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering op basis van een verkorte wachttijd.

1.3.

Appellante heeft op 25 februari 2008 opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. In verband met deze aanvraag is appellante gezien door een verzekeringsarts van het Uwv op

14 juli 2008. Evenals tijdens het onderzoek in februari 2007 was contact met appellante niet mogelijk en vertoonde zij bizar gedrag. Het beeld werd volgens de verzekeringsarts bevestigd door de behandelend psychiater. Volgens de verzekeringsarts was het duidelijk dat er geen benutbare mogelijkheden konden zijn om te functioneren. Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 2 september 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Tevens heeft het Uwv bij besluit van 29 oktober 2008 aan appellante met ingang van 2 september 2008 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend.

1.4.

Bij besluiten van 12 september 2009, 9 september 2010 en 15 september 2011 heeft het Uwv aan appellante de tegemoetkoming arbeidsongeschikten op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) toegekend.

1.5.

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 2 januari 2011 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.6.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waarin psychiater [naam psychiater] verdacht is van fraude, bestaande uit het afgeven van valse medische verklaringen, is door het Uwv heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellante. Op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv heeft psychiater H. Kondakçi bij appellante een psychiatrisch onderzoek verricht en op 19 maart 2012 gerapporteerd. Appellante heeft tijdens het onderzoek bevestigd dat zij zich bij voorgaande onderzoeken door verzekeringsartsen van het Uwv ten onrechte niet aanspreekbaar heeft getoond en zich ogenschijnlijk mutistisch heeft gedragen. Op grond van zijn onderzoek heeft Kondakçi geconcludeerd dat aanwijzingen voor een psychiatrisch ziektebeeld evenals voor een persoonlijkheidsstoornis ontbreken. Voorts heeft Kondakçi op basis van de beschikbare informatie, de verklaringen van appellante en zijn eigen psychiatrische indrukken de conclusie getrokken dat appellante in 2008 niet heeft verkeerd in een dermate ernstige psychiatrische toestand, zoals door haar (en haar omgeving) destijds herhaaldelijk werd geclaimd, dat zij evenmin volledig zorgbehoeftig was en niet in staat was te communiceren. Wel heeft appellante milde spanningsklachten gerelateerd aan haar leefomstandigheden, die zij mogelijk ook al heeft ervaren in 2008.

1.7.

Met verwijzing naar overwegingen in het rapport van 10 februari 2012 is de verzekeringsarts in het rapport van 24 april 2012, mede op basis van het onderzoek door Kondakçi, tot de conclusie gekomen dat de beperkingen die appellante ondervonden heeft ten gevolge van spanningsklachten, in het verleden zijn overschaduwd door haar gesimuleerde psychotische gedrag. Vast is komen te staan dat appellante niet lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis en geschikt is tot het verrichten van het eigen of passend werk, waarbij rekening wordt gehouden met enige beperkingen als gevolg van spanningsklachten. Deze spanningsklachten had zij ook tijdens de eerste ziektedag. De beperkingen als gevolg van de spanningsklachten zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 maart 2012.

1.8.

Met inachtneming van de FML van 21 maart 2012 heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv voor appellant per 3 september 2008 passende functies geselecteerd en een verlies aan verdiencapaciteit berekend van 0%.

1.9.

Bij besluit van 7 mei 2012 heeft het Uwv het bij 1.3 genoemde toekenningsbesluit van

21 augustus 2008 ingetrokken en vastgesteld dat appellante met ingang van 2 september 2008 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat mede als gevolg van het door appellante onjuist dan wel onvolledig weergeven van haar gezondheidstoestand de belastbaarheid destijds op verkeerde gronden is ingeschat. Bij besluiten van 16 mei 2012 heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 49.944,02 teruggevorderd aan over de periode van 2 september 2008 tot en met 30 april 2012 onverschuldigd betaalde WIA-uitkering en toeslag op grond van de TW. Bij besluit van -eveneens - 16 mei 2012 heeft het Uwv de in 1.4 genoemde tegemoetkoming op grond van de Wtcg ingetrokken en van appellante het bedrag van € 1.036,- teruggevorderd.

1.10.

Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen de besluiten van 7 mei 2012 en 16 mei 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 11 september 2012 het standpunt neergelegd dat de door de primaire verzekeringsarts genoemde beperkingen juist zijn vastgesteld, omdat er geen onderbouwing is gegeven voor het aanwezig zijn van een ernstige psychiatrische aandoening op de datum in geding. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na heroverweging geconcludeerd dat er geen gronden zijn om het eerder door de arbeidsdeskundige ingenomen standpunt te wijzigen.

1.11.

Bij besluit van 21 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de bij 1.9 genoemde besluiten ongegrond verklaard onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 september 2012 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 september 2012.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de medische belastbaarheid van appellante door de verzekeringsartsen en psychiater Kondakçi op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Appellante heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de conclusie van Kondakçi onjuist is en dat zij meer beperkingen had dan is vastgelegd in de FML van 21 maart 2012. Met dat onderzoek is volgens de rechtbank bevestigd dat appellante haar eigen werk, dan wel de geselecteerde functies kon verrichten. Voorts heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank actief bijgedragen aan de totstandkoming van de medische oordelen die ten grondslag hebben gelegen aan de toekenning van de WIA-uitkering en heeft zij hiermee de op haar rustende inlichtingenverplichting uit de WIA en TW geschonden. Het voorgaande brengt volgens de rechtbank mee dat het Uwv, behoudens dringende redenen, gehouden was de WIA-uitkering en de toeslag met terugwerkende kracht in te trekken. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan afgezien moet worden van de intrekking van de WIA-uitkering en/of de toeslag.

3. Appellante heeft in hoger beroep de door haar in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden gehandhaafd. Appellante ontkent dat zij het Uwv opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en betwist dat zij bewust arbeidsongeschiktheid heeft voorgewend teneinde een (hogere) arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel toeslagen daarop te ontvangen. Appellante stelt dat zij destijds last had van hevige paniekaanvallen, niet voor zichzelf kon opkomen en door haar echtgenoot en de heer [X.] werd geïnstrueerd hoe zij zich tijdens spreekuren moest gedragen. Appellante is van mening dat het onderzoek door psychiater Kondakçi onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat haar WIA-uitkering en toeslagen daarop ten onrechte met terugwerkende kracht zijn ingetrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader: algemeen

4.1.1.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

4.1.2.

In artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt, indien:

a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van artikel 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld; (…)

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

4.1.3.

In artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het Uwv onverschuldigd is betaald of verstrekt, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het vierde lid kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.1.4.

Op grond van artikel 12 van de TW is degene die aanspraak maakt op een toeslag verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan het hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.

4.1.5.

Op grond van artikel 11a van de TW herziet het Uwv een besluit tot toekenning onder meer indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 van de TW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag.

4.1.6.

In artikel 20, eerste lid, van de TW is bepaald dat de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.1.7.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wtcg heeft de persoon die van rechtswege verzekerd is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en recht heeft op een uitkering in verband met een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer en de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht op een tegemoetkoming.

4.1.8.

In artikel 24, tweede lid, van de Wtcg zijn de voorschriften opgenomen met betrekking tot de terugvordering van verstrekte tegemoetkomingen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

4.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

4.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

Wat is in dit geval gesteld?

4.5.

Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante (in ieder geval) vanaf 2 september 2008 in staat was tot het verrichten van haar eigen werk als schoonmaakster en dat zij daarnaast loonvormende arbeid kon verrichten. Tevens wordt haar verweten dat zij op 14 juli 2008 de verzekeringsarts van het Uwv met haar houding, gedrag en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar gezondheidssituatie door een beeld van een ernstige psychiatrische stoornis op te roepen die geen betrouwbare weergave van haar situatie is gebleken. Volgens het Uwv is afdoende komen vast te staan dat in appellantes situatie sprake is van simulatie en schending van de in artikel 27 van de Wet WIA neergelegde inlichtingenverplichting.

Ten onrechte uitkering verstrekt?

4.6.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat op grond van het geheel van de omtrent appellante voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het door psychiater Kondakçi opgestelde expertise-rapport, buiten twijfel is gesteld dat appellante op 2 september 2008 in staat was loonvormende arbeid te verrichten en voorts dat haar het verwijt treft van meet af aan bij de medische onderzoeken die uiteindelijk hebben geleid tot toekenning van haar uitkering met ingang van 2 september 2008, de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door, zowel in de presentatie van haar klachten als met de over haar door [naam psychiater] verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te (doen) wenden. De conclusies van Kondakçi hierover zijn stellig, eenduidig en overtuigend gemotiveerd en er zijn geen aanwijzingen dat van een objectieve en zorgvuldige beoordeling geen sprake is geweest. Het Uwv wordt gevolgd in zijn stelling dat appellante vanaf

2 september 2008 niet om medische redenen buiten staat was om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld van haar klachten en belemmeringen te geven.

4.7.

In het rapport van 24 april 2012 heeft de verzekeringsarts van het Uwv mede op basis van het rapport van psychiater Kondakçi vastgesteld dat bij appellante sprake is van spanningsklachten en aanpassingsproblematiek. Hij heeft de als gevolg hiervan geldende beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren vastgelegd in een per 2 september 2008 geldende FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de verzekeringsarts te wijzigen. In haar beschouwing heeft zij erop gewezen dat niet geconcludeerd wordt dat er niets aan de hand was, maar dat de situatie wel beduidend minder ernstig was dan destijds werd aangenomen mede op basis van de informatie van de behandelend psychiater. Ook de informatie van psycholoog Parsowa van 3 september 2012 impliceert volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat sprake is geweest van een ernstige psychische stoornis. De omstandigheid dat sprake is van een slecht huwelijk kan weliswaar aanleiding geven tot veel (spannings)klachten, maar deze zijn geen rechtstreeks gevolg van een (ernstige) onderliggende stoornis, doch het gevolg van bepaalde negatieve omstandigheden. De Raad onderschrijft het oordeel dat er geen onderbouwing is voor het aanwezig zijn een ernstige psychiatrische aandoening op de datum in geding en dat de beperkingen in de FML van 21 maart 2012 juist zijn vastgelegd. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd werpt geen ander licht op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding.

4.8.

Appellante heeft tegen de geschiktheid voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies geen zelfstandige gronden aangevoerd. Uitgaande van de juistheid van de FML van 21 maart 2012 zijn gelet op de motivering door de arbeidsdeskundigen de geselecteerde functies voor appellante passend te achten.

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen stelt de Raad zich achter het standpunt van het Uwv dat vanaf 2 september 2008 de verstrekking van uitkering en toeslagen aan appellante in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, omdat sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA van minder dan 35%, daardoor ten onrechte vanaf die datum aan haar uitkering is verstrekt. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat er rechtens geen beletsel is voor het Uwv om de WIA-uitkering en toeslagen met terugwerkende kracht per 2 september 2008 in te trekken.

4.10.

De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat het Uwv de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering en toeslag op grond van de TW moet terugvorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, is niet gebleken. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv op goede gronden de ten onrechte verstrekte tegemoetkoming op grond van de Wtcg heeft teruggevorderd.

4.11.

Het overwogene onder 4.1.1 tot en met 4.10 leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) V. van Rij

NK