Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
14-1920 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft in navolging van de medisch adviseur voldoende gemotiveerd dat appellante op ... niet in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1920 BABW

Datum uitspraak: 25 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

24 februari 2014, 13/2499 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.D. van Reenen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het geding is in een enkelvoudige kamer behandeld ter zitting op 3 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.U.H. van de Schepop en vergezeld van haar echtgenoot, [X.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Pol en mr. A.E.G. Sanders.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 18 september 2012 heeft het college de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier afgewezen. Hieraan heeft het college een advies van 27 augustus 2012 van H. Schenk, arts bij Asclepius Advies, ten grondslag gelegd. Schenk heeft, op basis van spreekuurcontact en inzage van een rapport van de revalidatiearts A.M. van de Ven van 20 oktober 2011, geconcludeerd dat appellante in redelijkheid in staat is om zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Alleen op onbekend terrein is zij afhankelijk van een begeleider.

1.2.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hierbij aanvullende informatie van de revalidatiearts A.M. van de Ven van 17 oktober 2012 overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 2 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2012, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld, waarbij ze medische informatie heeft overgelegd. Het college heeft nader medisch advies ingewonnen bij Asclepius Advies. Op

21 mei 2013 heeft Asclepius Advies het advies uitgebracht.

1.5.

De rechtbank heeft vervolgens op 24 oktober 2013 tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arts Schenk in zijn medisch advies van 27 augustus 2012 de vraag naar de toepasselijkheid van artikel 1, eerste lid aanhef en onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling) niet heeft beantwoord. Uit het medisch advies van

21 mei 2013 werd verder onvoldoende inzichtelijk waarom appellante ondanks haar ernstige cognitieve beperkingen niet in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart. De rechtbank heeft bepaald dat het college aan de medisch adviseur de vraag dient voor te leggen of van appellante gezien haar cognitieve stoornis verwacht kan worden dat zij onder begeleiding langere afstanden lopend aflegt.

1.6.

Het college heeft gereageerd bij brief van 14 november 2013 en een rapport van de arts Schenk van 3 november 2013 overgelegd. Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 18 december 2013.

2. Bij uitspraak van 24 februari 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich onder verwijzing naar het advies van 3 november 2013 op het standpunt heeft kunnen stellen dat van appellante kan worden verwacht dat zij in voorkomende gevallen een afstand tot 1.000 meter samen met haar echtgenoot of een andere chauffeur aflegt nadat de auto is geparkeerd in de buurt van de te bereiken bestemming.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat zij een zeer ernstige cognitieve beschadiging heeft opgelopen en hierdoor ernstig is belemmerd in het dagelijks leven. Appellante heeft van deur tot deur begeleiding nodig en is hiervoor afhankelijk van haar echtgenoot. Appellante kan 100 meter lopen, maar zij loopt moeilijk en langzaam en het valt haar steeds zwaarder om wat grotere afstanden af te leggen. Het valt appellante bovendien als gevolg van haar cognitieve stoornis erg zwaar om op onbekend terrein aanwezig te zijn en te lopen ondanks de aanwezigheid van haar echtgenoot. Dit vormt een grote mentale en fysieke belasting.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

4.2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling kunnen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

4.3.

In artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling is bepaald dat bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, van de Regeling, aangezien zij een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet kan overbruggen. In geschil is of appellante in aanmerking dient te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart op grond van artikel 1, eerste lid onder d, van de Regeling.

4.5.

De medisch adviseur is, na bestudering van de informatie van de revalidatiearts Van de Ven van 17 oktober 2012 en de verzekeringsarts M.E.P.M. Wirtz van 21 december 2012, in zijn rapport van 3 november 2013 tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een aantoonbare, ernstige beperking, anders dan een loopbeperking, die verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart noodzakelijk maakt. Schenk concludeert dat het van appellante gevraagd mag worden om onder begeleiding van haar echtgenoot of een andere chauffeur een afstand van maximaal 1000 meter af te leggen. Appellante hoeft dan ook niet eerst afgezet te worden, omdat haar echtgenoot de auto eerst moet parkeren. Dit betekent dat appellante niet zonder begeleiding hoeft te wachten, wat naar de mening van Schenk ook onverantwoord zou zijn. De revalidatiearts Van de Ven heeft in zijn brief van 17 oktober 2012 aangegeven dat het voor appellante door cognitieve overbelasting heel vermoeiend is om samen met haar man langere afstanden op onbekend terrein te lopen. Schenk heeft in reactie hierop aangegeven dat dit geen steun vindt in wat tijdens het spreekuurcontact op 27 augustus 2012 is besproken en in een eerdere brief van Van de Ven van 20 oktober 2011. Van de Ven heeft bij het mogelijk optreden van cognitieve overbelasting bovendien geen maximale loopafstand genoemd.

4.6.

Op de in hoger beroep overgelegde informatie van de revalidatie/GZ-psycholoog

R.D. Boter van 12 mei 2011 en de neuropsycholoog E. van den Berg van 20 augustus 2012 heeft de arts Schenk in zijn rapport van 19 mei 2014 gereageerd. Volgens Schenk leveren deze medische stukken geen nieuwe inzichten op.

4.7.

Er is naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de arts Schenk. Het college heeft in navolging van de medisch adviseur voldoende gemotiveerd dat appellante op grond van artikel 1, eerste lid aanhef en onder d, niet in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, als voorzitter en J.P.A. Boersma en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) V. van Rij

AP