Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4334

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
15-7076 WMO-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Gelet op het feit dat het college met ingang van 15 december 2014 voor personen als verzoeker een zogenoemde bed-bad-broodvoorziening in het leven hebben geroepen bestaat er geen spoedeisend belang om hangende de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7076 WMO-VV

Datum uitspraak: 25 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2015, 15/2577.

Op 20 oktober 2015 heeft mr. Fischer namens verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat hij, nadat hij in voormalig verpleeghuis [naam verpleeghuis] heeft verbleven, nu in een kelder onder een kantoor verblijft. Daar kan hij een aantal dagen verblijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt er toe dat het college wordt opgedragen aan appellant een toereikende voorziening in natura te bieden dan wel hem € 40,- per dag te verstrekken zodat hij zelf in zijn basisbehoeften kan voorzien.

3. Gelet op het feit dat het college met ingang van 15 december 2014 voor personen als verzoeker een zogenoemde bed-bad-broodvoorziening in het leven hebben geroepen bestaat er geen spoedeisend belang om hangende de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verzoeker geen gebruik zou kunnen maken van deze voorzieningen in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure.

4. Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM