Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
13-3619 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling en nabetaling buitenlandbijdrage. Appellante en haar echtgenoot zijn niet binnenlands belastingplichtig. De lijfrente-uitkering moet tot het persoonlijke inkomen van appellante worden gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3619 ZVW

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2013, 12/4507 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellante)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut), als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante en het Zorginstituut hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Partijen zijn, met kennisgeving aan de Raad, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in november 1945, woont sinds januari 2008 met haar echtgenoot in Frankrijk.

1.2.

Appellante heeft in de jaren 1988 tot en met 1991 kapitaalverzekeringen met een lijfrenteclausule gesloten en daartoe koopsommen voldaan. Deze koopsommen zijn, overeenkomstig de destijds geldende bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, als persoonlijke verplichting in aftrek gebracht op het onzuivere inkomen van haar echtgenoot.

1.3.

In mei 2008 heeft appellante de waarde van de polissen gebruikt voor het afsluiten van een direct ingaande lijfrente-uitkering op het leven van haar en dat van haar echtgenoot.

1.4.

Cvz heeft appellante ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) in 2010 als verdragsgerechtigde aangemerkt. Op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 heeft zij recht op zorg in het woonland (Frankrijk), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is appellante ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.5.

Bij brief van 25 mei 2012 heeft Cvz aan appellante de definitieve jaarafrekening voor het jaar 2010 gezonden. Daarin is beslist dat de buitenlandbijdrage voor dat jaar is vastgesteld op € 270,46 en dat appellante nog € 43,46 moet nabetalen. Voor de berekening van het inkomensafhankelijke deel van deze bijdrage is Cvz uitgegaan van een belastbaar loon van € 8.348,-. Dit belastbaar loon bestond uit de AOW-uitkering en de onder 1.3 genoemde lijfrente-uitkering.

1.6.

De inspecteur van de Belastingdienst/Limburg/Kantoor Buitenland heeft op 25 november 2011 het Niet in Nederland belastbaar inkomen vastgesteld op nihil. Deze beschikking vermeldt een wereldinkomen uit werk en woning van € 8.348,- gelijk aan het belastbaar loon. Appellante heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 3 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellante tegen de berekening van de buitenlandbijdrage 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard omdat Cvz niet is ingegaan op de bezwaren van appellante. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten en daarbij, samengevat, overwogen dat omdat appellante en haar echtgenoot niet binnenlands belastingplichtig zijn, de lijfrenteuitkering tot het persoonlijke inkomen van appellante moet worden gerekend. Hoewel dit niet zo zou zijn wanneer zij binnenlands belastingplichtig zouden zijn geweest, is geen sprake van schending van het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij aangevoerd dat het Unierecht wordt geschonden omdat de buitenlandbijdrage (mede) wordt berekend over de door appellante genoten lijfrente-uitkering. Het overgangsrecht, opgenomen in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, houdt in dat het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 69 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing blijft en houdt in dat de lijfrente-uitkering tot het inkomen van haar echtgenoot wordt gerekend als de echtgenoten in Nederland waren blijven wonen. De vestiging in Frankrijk bewerkstelligt dat appellante als buitenlands belastingplichtige wordt aangemerkt waardoor de lijfrente-uitkering wel tot haar inkomen wordt gerekend. Dit levert een beperking op van het recht op vrij verblijf in een andere lidstaat. Appellante heeft in beroep nog gesteld dat het voor de jaren na 2011 om een groter belang gaat dan het belang van € 44,31 voor 2010.

3.2.

Het Zorginstituut stelt zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) (tekst 2010) melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (…) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van de Zvw verzekeringsplichtig zijn, bij Cvz aan. In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd (buitenlandbijdrage).

4.1.2.

De in artikel 69 van de Zvw bedoelde ministeriële regeling is de Regeling zorgverzekering (Regeling).

4.1.3.

In artikel 6.3.1, eerste en tweede lid, van de Regeling zijn de wijze van berekening en de grondslag van de buitenlandbijdrage vervat.

4.1.4.

Artikel 6.3.1, zevende lid, van de Regeling houdt in dat de inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

4.1.5.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Awir is toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt niet in Nederland belastbaar in komen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, in aanvulling op het eerste lid mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

4.1.6.

Ingevolge artikel 21a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is er een basisregistratie inkomen waarin inkomensgegevens met bijbehorende temporele en metakenmerken zijn opgenomen. Het inkomensgegeven bedoeld in de vorige volzin is een authentiek gegeven.

4.2.

Appellante heeft niet bestreden dat Cvz de buitenlandbijdrage heeft berekend overeenkomstig de bepalingen van paraaf 5.2 van de Zvw en Hoofdstuk 5 van de Regeling en dat Cvz daarbij overeenkomstig artikel 6.3.1, zevende lid, van de Regeling is uitgegaan van het inkomensgegeven dat als authentiek gegeven op haar betrekking had. Zoals de Raad eerder heeft overwogen is in de Zvw en de Regeling dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden (CRvB 27 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2579). Noch de Zvw noch de Regeling biedt ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek.

4.3.

Artikel 5, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (teksten 1988-1991) bepaalt (voorzover van belang) dat de bestanddelen van het inkomen van een gehuwde niet duurzaam gescheiden levende belastingplichtige die niet tot het persoonlijke arbeidsinkomen behoren, ingeval zijn persoonlijke arbeidsinkomen lager is dan dat van zijn echtgenoot, aangemerkt worden als bestanddelen van het inkomen van zijn echtgenoot. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat het bepaalde in het eerste lid alleen toepassing vindt indien zowel de belastingplichtige als de echtgenoot binnenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 69 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gelezen in samenhang met artikel 1 letter O van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 zijn deze bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing gebleven voor de door appellante ontvangen lijfrente-uitkering.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het bepaalde in het genoemde artikel 5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 1964 een schending oplevert van het Unierecht en dat voor de berekening van de buitenlandbijdrage ten onrechte de lijfrente-uitkering in haar belastbaar loon is begrepen. Daarmee komt appellante op tegen de vaststelling van het inkomensgegeven als authentiek gegeven. Op grond van artikel 21k, tweede lid, van de Awr kan appellante de vaststelling van het inkomensgegeven voorleggen aan de inspecteur van de Belastingdienst.

Het behoort tot de bevoegdheid van deze inspecteur om te bepalen wat de hoogte van het belastbaar loon van appellante over 2010 is en hij kan daarbij ingaan op de vraag of er strijd is met het Unierecht. De inspecteur kan bij het toetsen aan het Unierecht in zijn beoordeling betrekken dat appellante samen met haar echtgenoot kan kiezen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen op de voet van artikel 2.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010). Tegen de beschikking van de inspecteur staan de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep bij de belastingrechter open. Dit betekent dat voor de bestuursrechter/sociale zekerheidsrechter hier geen taak overblijft.

4.5

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep moet worden verworpen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) W. de Braal

AP