Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
14/5140 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Appellante is in medisch opzicht in staat de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellante met inachtneming van haar beperkingen deze functies kan vervullen. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn naar behoren toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5140 WIA

Datum uitspraak: 23 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

6 augustus 2014, 14/831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar moeder, [naam moeder] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als bedrijfsleidster gedurende 27 uur per week, heeft zich op 7 december 2011 arbeidsongeschikt gemeld wegens al langer bestaande vermoeidheidsklachten.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2013 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 4 december 2013 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 3 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar beperkingen voor het verrichten van arbeid door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Ter onderbouwing heeft appellante een rapport afkomstig van neuroloog T.J. Tacke van 4 februari 2015 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellante ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen aanleiding bestaat om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts heeft appellante gezien en onderzocht op het spreekuur en heeft het dossier bestudeerd, waaronder begrepen medische informatie afkomstig van de appellante behandelend specialisten van Roessingh, centrum voor revalidatie, en Mediant Geestelijke Gezondheidszorg (Mediant). De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante lijdt aan myalgische encefalomyelitis (ME), althans aan een aandoening waarbij sprake is van een inspanningsintolerantie, dan wel aan een slaapstoornis. Er zijn volgens de verzekeringsarts onvoldoende aanwijzingen dat appellante lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Voorts heeft appellante ADHD en kenmerken van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast heeft zij een lichte verstandelijke beperking. Volgens de verzekeringsarts is appellante aangewezen op werkzaamheden waarbij voldoende rekening wordt gehouden met haar vermoeidheidsklachten en met haar behoefte om telkens iets anders te gaan doen. De verzekeringsarts heeft voor appellante beperkingen opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en dynamische handelingen. Voorts heeft de verzekeringsarts op preventieve gronden een urenbeperking voor appellante aangenomen van 4 uur per dag en 20 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na bestudering van het dossier en na de hoorzitting te hebben bijgewoond de door de verzekeringsarts bij appellante vastgestelde belastbaarheid onderschreven. De door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren passen bij de psychische problematiek van appellante. Aangezien op lichamelijk gebied geen evidente afwijkingen bij appellante zijn vastgesteld, is er geen aanleiding om haar fysiek meer of verdergaand beperkt te achten. Het standpunt van de behandelaars van Mediant dat appellante aangewezen is op een verdergaande urenbeperking dan 4 uur per dag en 20 uur per week is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende onderbouwd. Het standpunt van Mediant lijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep volledig te zijn gebaseerd op de subjectieve klachtenbeleving van appellante en niet op de medische feiten. Er is geen aanleiding voor twijfel aan deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor het toekennen van een verdergaande urenbeperking is geen grond.

4.2.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank te komen over de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit. Het in hoger beroep overgelegde rapport afkomstig van neuroloog Tacke betreffende een slaaponderzoek biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Uit het rapport van de neuroloog blijkt dat de vermoeidheidsklachten van appellante niet worden veroorzaakt door een slaapstoornis. Ook overigens blijkt uit het rapport geen medisch objectieve verklaring voor de vermoeidheidsklachten van appellante.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in medisch opzicht in staat is de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellante met inachtneming van haar beperkingen deze functies kan vervullen. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn naar behoren toegelicht.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

NK