Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
13/5618 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de AOW en de Anw. De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat de datum van toekenning van de WAO-uitkering in de situatie van betrokkene relevant was. De aangevallen uitspraak zal gedeeltelijk worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5618 AOW

Datum uitspraak: 20 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 september 2013, 12/6447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] , Marokko (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1

Betrokkene is in Nederland werkzaam geweest, laatstelijk in 2001. De rechtbank is ervan uitgegaan dat betrokkene uiterlijk in 2001 Nederland heeft verlaten. Betrokkene heeft dat in hoger beroep niet betwist.

1.2.

Aan betrokkene is op enig moment met terugwerkende kracht per 21 augustus 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Op 24 april 2012 heeft betrokkene appellant verzocht hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.3.

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft appellant betrokkene medegedeeld dat hij zich niet vrijwillig kan verzekeren omdat hij zijn aanvraag niet binnen een jaar na het einde van zijn verzekering heeft ingediend.

1.4.

Bij besluit van 16 november 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar van betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de mogelijkheid onderzocht het geschil definitief te beslechten. In dat kader heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene uiterlijk op

31 december 2002 een aanvraag om een vrijwillige verzekering had moeten indienen. Nu hij dit pas in 2012 heeft gedaan, is zijn aanvraag jaren te laat ingediend. De rechtbank heeft uit het beroepschrift van betrokkene opgemaakt dat hij zich op het standpunt stelt dat hem niet verweten kan worden dat hij zijn aanvraag niet eerder heeft ingediend nu hij deze heeft ingediend nadat hem met terugwerkende kracht een WAO-uitkering werd toegekend. Met betrokkene acht de rechtbank het moment van toekennen van de WAO-uitkering van belang. Appellant heeft hier naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen onderzoek naar verricht en zich ten onrechte niet afgevraagd of betrokkene een verwijt kan worden gemaakt van zijn (te) late aanmelding. De rechtbank kan het geschil niet definitief beslechten en heeft appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich alleen tegen de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank. Volgens appellant is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat de datum van toekenning van de WAO-uitkering relevant is. Per 1 januari 2000 zijn buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvangen, niet langer verplicht verzekerd ingevolge de AOW. De toekenning van de WAO-uitkering leidde zodoende niet tot het ontstaan van een verplichte verzekering over die periode. De verplichte verzekering van betrokkene is dan ook geëindigd op 21 augustus 2002 (einde uitkering Ziektewet) en de aanvraag om een vrijwillige uitkering is niet binnen een jaar nadien ingediend. Omdat geen sprake is van toekenning van een WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot een datum voor 1 januari 2000, stelt appellant zich voorts op het standpunt dat geen sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 19 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO6448). Volgens appellant is betrokkene zodoende terecht niet toegelaten tot de vrijwillige verzekering. In hoger beroep heeft appellant verzocht om vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Betrokkene heeft op 24 april 2012 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de Anw. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was betrokkene niet verplicht verzekerd krachtens die wetten, omdat hij toen niet in Nederland woonde of werkte. Ook het feit dat aan betrokkene met terugwerkende kracht een

WAO-uitkering is toegekend, leidde er niet toe dat betrokkene verplicht verzekerd werd voor de volksverzekeringen, omdat buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvangen, sinds 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd zijn ingevolge de AOW en de Anw. Dit was vóór die datum onder bepaalde omstandigheden wel het geval.

4.2.

Appellant heeft dan ook terecht besloten dat het verzoek van appellant niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering.

4.3.

Zoals appellant heeft betoogd, is een bijzonder geval als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 19 november 2010 in dit geval niet aan de orde, nu geen sprake is van toekenning van een WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot een datum gelegen voor 1 januari 2000 (vgl. ECLI:NL:CRVB:2012:BX3777).

4.4.

Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene vloeit voort dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de AOW en de Anw. De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat de datum van toekenning van de WAO-uitkering in de situatie van betrokkene relevant was. De aangevallen uitspraak zal gedeeltelijk worden vernietigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant wordt opgedragen om binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    verklaart het bezwaar van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en J. Smeets als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) V. van Rij

UM