Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
14/4995 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Nadere toelichting in hoger beroep. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/4995 WIA

Datum uitspraak: 23 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

23 juli 2014, 14/1019 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft met een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

28 september 2015 een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als metselaar. Op 29 november 2011 heeft hij zich voor dit werk ziek gemeld met rugklachten.

1.2.

Bij besluit van 14 oktober 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 26 november 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 19 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 oktober 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv volledig en zorgvuldig is verricht. Zij heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsartsen over de medische beperkingen van appellant. De rechtbank heeft erop gewezen dat de subjectieve klachtenbeleving van appellant op grond van vaste rechtspraak van de Raad niet doorslaggevend is bij de vaststelling van de naar medisch objectieve bevindingen bestaande arbeidsbeperkingen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige zoals door appellant is verzocht. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank geoordeeld dat de voorbeeldfuncties die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Appellant heeft betoogd dat hij meer en ernstiger beperkt is dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben vastgesteld. Het Uwv heeft zijn rugklachten onvoldoende onderkend. Volgens appellant is hij meer beperkt voor handelingstempo, duwen, trekken, dragen, tillen, reiken en strekken. Voorts stelt appellant niet in staat te zijn een uur of anderhalf uur aaneengesloten te zitten of te staan. Appellant heeft verder aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn vermoeidheidsklachten. Gelet op zijn rustbehoefte overdag bestaat volgens appellant aanleiding voor een urenbeperking. Ten slotte heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd. Appellant heeft de Raad daarom verzocht een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en dat er geen aanknopingspunten zijn om aan de daaruit door het Uwv getrokken conclusies te twijfelen. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen reden bestaat meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellant op het spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht. In het rapport van 18 september 2013 heeft deze arts geconcludeerd dat appellant aspecifieke lage rugklachten heeft met uitstraling naar beide benen. Verder heeft appellant knieklachten als gevolg van slijtage en is bij hem COPD vastgesteld. Volgens de verzekeringsarts is appellant aangewezen op rug- en kniesparende arbeid. Vanwege de longklachten is appellant beperkt voor het werken met stof, rook, gassen en dampen. De verzekeringsarts heeft toegelicht dat appellant met inachtneming van deze beperkingen in staat is gedurende een normale werkweek passende werkzaamheden te verrichten. Gelet op de klachten van appellant bestaat geen medische indicatie voor het aannemen van een gereduceerde arbeidsomvang. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eveneens dossieronderzoek verricht en appellant op het spreekuur medisch onderzocht. Verder heeft deze arts de in bezwaar overgelegde informatie van de neuroloog, huisarts en fysiotherapeut bij zijn beoordeling betrokken. In het rapport van 14 februari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant kan worden onderschreven. Uit de informatie van de neuroloog en fysiotherapeut blijkt dat appellant chronische aspecifieke rugklachten heeft. Dit komt overeen met de eigen bevindingen van het verrichte lichamelijk onderzoek. Met de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen wordt in ruime mate tegemoet gekomen aan de rugklachten van appellant. Uit de informatie van de huisarts blijkt verder dat appellant longklachten heeft waarvoor hij medicatie gebruikt. Met de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen voor het werk met prikkelende dampen/gassen of een stoffige omgeving wordt aan die klachten eveneens voldoende tegemoet gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts toegelicht dat indien de werkzaamheden licht, afwisselend en luchtweg-sparend zijn er voor een medische urenbeperking geen aanleiding bestaat. Er bestaat eveneens geen grond voor de conclusie dat appellant vanwege zijn vermoeidheidsklachten verminderd beschikbaar is.

4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De door appellant geuite vermoeidheidsklachten zijn zowel door de verzekeringsarts als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij hun beoordeling betrokken. In hoger beroep heeft appellant, net als in beroep, geen medische stukken in het geding gebracht die aanleiding geven te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank. Gelet op het voorgaande bestaat ook geen aanleiding een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zijn de voorbeeldfuncties die de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag heeft gelegd in medisch opzicht geschikt voor appellant. In hoger beroep heeft het Uwv desgevraagd een nadere reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden. In die nadere reactie heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de voorbeeldfunctie van kassamedewerker/caissière te verrichten, ondanks de hierin voorkomende signalering onder beoordelingspunt 4.21.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht dat de geduide voorbeeldfuncties geschikt zijn voor appellant, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, €980 in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, totaal € 2.940,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.940;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. van Wijk

JL